Skip to content

Binnenlandse Vijand : Turbo voor Veiligheidscultuur en Veiligheidsindustrie

03/07/2011

Gevaar is een onderdeel van het dieren- en mensenleven. Altijd zo geweest en het zal niet veranderen. Het is dus goed dat dier en mens zo worden opgevoed, dat ze gevaren in natuur en samenleving weten te onderkennen. Dat maakt ook veiligheid tot een thema in bestaan van dier en mens. Het behoort tot een van de ‘voldongen feiten’ die het leven meebrengt.

Wanneer het thema veiligheid met onderdrukking en commercie wordt geassocieerd dan zitten we niet meer in de sfeer van de ‘voldongen feiten’. Dan hebben we te maken met (neo)kolonialisme en zijn uitwassen, met winstbejag en economische belangen van dominante groepen die steun verwerven bij de overheid. Het draait dan om ‘kapitalistische veiligheid’, zoals het heet bij de Franse socioloog en onderzoeker aan de universiteit Parijs-VIII, Mathieu Rigouste, in zijn boek getiteld De binnenlandse vijand, De koloniale en militaire herkomst van de veiligheidsorde in het hedendaagse Frankrijk.

De manier waarop de afgelopen decennia over veiligheid wordt gedacht, wordt mede ingegeven door neoliberale economische opvattingen. Deze zijn terug te voeren op de Amerikaanse econoom Milton Friedman (1912-2006), die aan de universiteit van Chicago doceerde en die met zijn leerlingen de ‘Chicago school’ vormde. Hij leerde al in 1971 dat alles wat nu nog in overheidshanden is, moet worden geprivatiseerd. Tot de taken van de overheid resteren alleen politie-, militaire en economische taken, daaronder eveneens begrepen handhaven van de openbare orde (er moet tenslotte ‘law and order’ zijn), contracten respecteren en concurrentie bevorderen.

Chicago-boys

Gelet op deze taakstelling wekt het geen bevreemding dat de ‘Chicago-boys’ zoals de leerlingen van Friedman ook worden genoemd, juist de dictator Pinochet (in Chili aan de macht gekomen na diens staatsgreep, in 1973) van dienst zijn om de ‘economie’ in dat land op te bouwen. Want draait de neoliberale economie niet op een haaienmentaliteit? Niemand is te vertrouwen, iedereen is elkaars concurrent. Er is dus tegelijk een uitgebreide ‘veiligheidsdienst’ nodig, waarin nu juist Pinochet goed weet te voorzien. Zo ongeveer moet men gedacht hebben, toentertijd. Het zal overigens wel volstrekt toeval zijn dat de beruchte Amerikaanse gangster Al Capone (1899-1947) een groot deel van zijn misdadige praktijken in Chicago uitvoerde. Maar draait de maffia ook niet op zaaien van angst en verzorgen van ‘protectie’…?

Een ding is zeker: als er geen ‘binnenlandse vijand’ rond loopt dan is er ook geen veiligheidsindustrie nodig. Om de veiligheidsindustrie op gang te houden moet er een dosis angst onder de bevolking heersen. Daar wordt de ‘binnenlandse vijand’ voor ingezet. Bovendien is er een systeem van onderdrukking nodig dat zo werkt, dat er het idee van veiligheid mee wordt verschaft, waarmee de ‘angst’ wordt getemperd.

In de veiligheidsindustrie gaan inmiddels vele miljarden euro’s om (aan personeel en materiaal). Wat het materiaal aangaat moet men denken aan alle elektronica (videocontrole, afluisterapparatuur, biometrie), de helikopters met speciale foto- en observatieapparatuur), de ‘drone’, het kleine onbemande vliegtuig om het ‘terrein’ te verkennen… Veiligheid is dus ook handel. Als er geen vijanden bestonden, moeten ze worden uitgevonden…

Défence nationale

Dit riekt naar ‘science fiction’. Maar de genoemde Mathieu Rigouste is op onderzoek uitgegaan. Wat hem heeft bezig gehouden is het volgende. Tijdens de Franse oorlogen in Indochina (1946-1954) en Algerije (1954-1962) is een onderdrukkingssysteem ontwikkeld en zijn er technieken van beheersen van gekolonialiseerde bevolkingen toegepast. Daarvoor is door leidende Franse legerofficieren en andere overheidsfunctionarissen de ‘doctrine van de revolutionaire oorlog’ uitgedacht.

Na die oorlogen is die doctrine een rol blijven spelen bij het denken over de handhaving van de ‘orde’ in Frankrijk zelf. Inmiddels is men komen te spreken over ‘veiligheidscultuur’. Daarmee is tevens de actuele maatschappelijke situatie in beeld gekomen. Hetgeen Rigouste over verleden en heden schrijft, heeft hij op gedoken uit stukken die zich in het archief bevinden van het in 1936 door een Franse admiraal opgerichte ‘Collège des hautes études de Défense nationale’ (in 1947 is het ‘Collège’ omgedoopt in ‘Institut’).

Lange tijd zijn de archieven van deze instelling voor buitenstaanders ontoegankelijk geweest, maar sinds enkele jaren zijn ze opengesteld. Rigouste heeft er twee jaar (2005-2006) zitten spitten. Het boek De binnenlandse vijand is een gedocumenteerde, gethematiseerde en becommentarieerde verslaglegging van dit spitwerk.

Het is wat de referenties aangaat dus een op de Franse socio-politieke situatie gerichte studie. Maar de ‘matrix’ waarop die studie zit, is ook daarbuiten herkenbaar. Wie maar enigszins de discussie bijvoorbeeld over de samenhang tussen ‘veiligheid’ en ‘migratiestromen’ in Nederland heeft gevolgd, ziet zo de paralellen tussen beide landen. En heeft de Nederlandse overheid niet een zelfde verderfelijke politiek in de ‘koloniën’ gevoerd? Net bevrijd van het Duitse juk, gaat men in Indonesië op uiterst gewelddadige wijze tekeer om die ‘zwartjes’ er onder te krijgen (zoals op 9 december 1947 in het Indonesische Rawagede).

Wat ik hier zal doen is de ‘matrix’ van het betoog van Rigouste te laten ‘oplichten’, opdat dit inzichtverruimend werkt ten aanzien van de Nederlandse situatie (eigenlijk de situatie voor meerdere Europese landen). Dan zal ook duidelijk worden dat het onjuist is om te denken dat Wilders, de leider van de PVV, in de strafzaak die tegen hem speelde en waarbij hij werd vrijgesproken, in Frankrijk ‘niet zou zijn weggekomen’ (zoals ik in een commentaar in De Volkskrant van 24 juni 2011 las). Een aantal ideeën van Wilders worden in Frankrijk namelijk al uitgevoerd, of staan op punt uitvoering te krijgen.

De vraagstelling van waaruit Rigouste heeft gewerkt is de volgende. Kan het bestuderen van de koloniale oorlog (met name de Algerijnse oorlog) ons helpen bij het begrijpen van de ontwikkelingen richting de ‘nieuwe veiligheidsorde’, zoals die in de jaren 2000 zichtbaar wordt? Heeft de fase van de specifieke koloniale ervaring invloed op het gebruik van macht, van beheerstechnieken en ruimer nog op de processen van overheersing in het hedendaagse bestaan in Frankrijk?

Om op die vragen een antwoord te kunnen geven analyseert Rigouste hetgeen bedacht is door het militaire instituut omtrent (a) de bedreiging, (b) de ontwikkelde zienswijzen met het oog op toezicht en onderdrukking en  (c) de evolutie van de instituties, die zich met binnenlandse controle-activiteiten bezighouden. Daarom ook heeft hij zich geconcentreerd op (1) de evolutie van diverse figuren van de binnenlandse vijand binnen de politieke en militaire instanties, alsmede op (2) de constructie van de migratie als ‘bedreiging vormende factor’ en op (3) de moeite die militaire instanties doen om de politieke waarde van hun concepten omtrent oorlog en veiligheid gevestigd te krijgen. Allemaal ingrediënten die op de een of andere manier binnen de doctrine van de revolutionaire oorlog zijn gebracht.

Doctrine van de revolutionaire oorlog (DGR)

Een van de zaken die Rigouste verduidelijkt, is wat er onder die doctrine (DGR: ‘doctrine de la guerre révolutionnaire’) valt. In kort bestek gaat het om het ‘zuiveren’ van een gekoloniseerde bevolking van subversieve elementen. Daar moeten de ‘geest’ in het algemeen en die van de leden van het militaire kader in het bijzonder, mee worden geïnfecteerd.

De doctrine omvat een arsenaal van contra-subversieve technieken en steunt op een juridisch regime van de ‘uitzonderingsstaat’ (in Nederland zou het dan gaan om nemen van maatregelen in de sfeer van de ‘buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag’). Tot dat arsenaal zijn te rekenen:

• Intensief patrouilleren en inlichtingen verzamelen, neerkomend op: toezicht en controle, fysiek en statistisch, van de identiteit en de sociale relaties van de bevolking.

• Verwerven van inlichtingen: afluisteren, infiltreren, terugsturen van verklikkers (na marteling).

• Oppakken, afvoeren, interneren: plaatsen in interneringskampen bekend onder diverse namen (zoiets als in Nederland nu zijn ingericht de ‘Centra voor illegaal verblijvenden’, of  wat ook heet ‘Vrijheidsbeperkende locaties’); onder omstandigheden kan daar ook onder worden gebracht: het martelen van tegenstanders en de gedwongen ‘verdwijning’ van hen.

• Psychologische acties en propaganda: manipulatie van media ten behoeve van valse voorlichting aan het publiek, bijvoorbeeld over de aanwezige troepen (militairen / paramilitairen / particuliere beveiligingsmensen), of informatie over ‘vreemdelingen’ (‘misdadig volk’).

• Contra-terrorisme: geheime operaties door speciaal opgeleide eenheden voor het uitvoeren van executies (zoals het expliciet doden in staatsopdracht van een gezochte ‘terrorist’; denk aan een operatie als die om Osama Bin Laden te vermoorden, nu); infiltratie alsmede creëren van ‘valse verzetsstrijders’ en ‘valse organisaties’ die ‘terroristische’ acties plegen om daarna de opgevoerde repressie te legitimeren; formeren van paramilitaire eenheden die als ‘moordbrigades’ opereren.

• Creëren van zelfverdedigingsgroepen bestaande uit eenheden samengesteld uit inlanders (vergelijk voor Nederland het KNIL dat voor het grootste deel uit oorspronkelijke bewoners van de Nederlands-Indische archipel bestond); uitoefenen van druk op de lokale elite, waaruit weer mensen selecteren voor een toekomstige regering, die de bezettende macht welgezind zijn (vergelijk voor Nederland: het onderwierp Nederlands-Indië, maar liet het volk regeren door de lokale vorsten).

De contra-subversieve activiteiten door de bezettende overheid bedreven, vormen het spiegelbeeld van activiteiten die worden bestreden (tot uitdrukking komend in het gepleegde verzet door opstandelingen, partizanen). De staat voert dus een contra-guerrilla, een contra-opstandige strijd, een ‘contre-subversion’ (in het Amerikaanse jargon ‘counterinsurgency’). ‘Subversion’ is zoiets als ‘omverwerping’, ‘ondermijning’. Duidelijk is dat de bezettende staat het activisme van partizanen, van vrijheidsstrijders tracht te ‘neutraliseren’.

Deze omkering zou ook in de terminologie moeten terugkeren: de doctrine van de revolutionaire oorlog is, door die omkering een doctrine van de contra-revolutionaire oorlog. De uitgeoefende staatsterreur is duidelijk van contra-revolutionaire aard. En waar de bezettende staat dat nodig oordeelt steunt ze ook het contra-revolutionaire streven van lokale inlandse tegenstanders (de inlandse dominante elite).

Zoals al opgemerkt heeft Rigouste dit alles ontleend aan stukken die hij in de archieven van het IHEDN aantrof en het optreden betreft van Fransen in Algerije. Tot in de details is daarover gedebatteerd door een keur van ‘specialisten’ (hoge militairen, wetenschappelijk geschoolden in diverse disciplines, andere hoge ambtenaren en adviseurs van regeringsleiders). Ook ‘de politiek’ conformeerde zich aan een dergelijk soort optreden, en niet alleen ‘rechts’. De sociaal-democraten (de SFIO als voorloper van de PS) en de communisten (PCF), zij allen stemden in maart 1956 in met het verlenen van ‘bijzondere bevoegdheden’ aan de toenmalige regering.

Dat dit alles niet tot de ‘verleden tijd’ behoort, valt op te maken uit het feit dat het arsenaal van de ‘doctrine van de revolutionaire oorlog’ heden, en dan mondiaal gezien, in volle toepassing is in de strijd tegen het ‘Kwaad’… Daarnaast wijst Rigouste er nog op dat de contra-subversieve theorieën en de veiligheidstechnologie die binnen de Franse DGR op geld doen zowel verwijzen naar het koloniale ‘arsenaal’ van het Britse rijk als bijvoorbeeld naar de doctrine van de psychologische propagandavoering van het Derde Rijk. Het sluit evenzeer aan bij wat Foucault heeft blootgelegd in zijn Surveiller et punir (1975) met betrekking tot de herkomst van de disciplinaire mechanismen.

Het voorgaande betrof met name de periode van de Algerijnse oorlog. Binnen het kader van het IHEDN betekende het einde van die oorlog niet tevens het einde van het instituut. Het verschijnsel ‘nationale defensie’ is iets dat permanent ter bestudering staat. De samenleving, de bestaande ‘orde’, wordt ‘immers’ constant met bedreigingen geconfronteerd. Om welke bedreigingen gaat het dan en hoe daar het hoofd aan te bieden?

Het werk van de ‘veiligheidsmachine’ zoals Rigouste ze noemt, spitst zich in het postkoloniale tijdperk (dus vanaf 1962 tot heden) toe op drie werkterreinen:

• Beveiliging van de bevolking.

• Het ongevoelig maken van die bevolking voor de pogingen tot ondermijning door politieke tegenstanders van het ‘gezag’.

• Het in het licht van het voorgaande, inperken, beknotten van de (politieke) rechten van de bevolking.

Deze drie werkterreinen vormen de kern van wat heet de ‘nieuwe veiligheidsorde’ en is ontwikkeld in een groot deel van de Westerse staten vooral vanaf 11 september 2001. Om die nieuwe veiligheidsorde op te zetten zijn opnieuw de contra-subversieve  maatregelen bekeken, die tijdens de koloniale oorlogen genomen zijn tegen de in opstand gekomen lokale bevolking. Een van de punten die in de postkoloniale periode duidelijk gemaakt moesten worden is: tegen welke ‘vijand’ moet worden opgetreden? Voor het antwoord daarop moest een vijand worden ‘uitgevonden’, dat wil zeggen ideologisch geconstrueerd. Dit is wat Rigouste benoemt tot de problematiek van de ‘binnenlandse vijand’.

Binnenlandse vijand

In de periode van het koloniale tijdperk kwamen we als binnenlandse vijand de ‘inlander-partizaan’ tegen. Van hem ging dreiging uit omdat hij de bestaande ‘orde’ wil ontregelen, zelfs omverwerpen. Later wordt die vijand geherstructureerd tot de ‘postkoloniale migrant’. De ‘Fransman van oorsprong’, de ‘echte’ Fransman, komt naast de ‘onechte Fransman’ te staan (zie hoe gemakkelijk dit is te substitueren voor ‘echte Nederlander’, ‘echte Fin’). Die ‘onechte Fransman’ is niet-blank en hij is niet-christen (van daar ook de ‘islamitische Fransman’; de ‘echte’ is bedekt of openlijk rooms-katholiek).

Als die terminologie al gebruikt wordt, dan toch zeker niet officieel, zal men denken. Maar vergeet niet dat Rigouste dit alles uit de archieven opduikt (met bronvermelding). En niet officieel? In zijn toespraak in Bourges (7 mei 1959) spreekt De Gaulle over: ‘… het zijn de Blanken, de geciviliseerde volken… puisqu’ils sont les plus riches et les plus forts, leur devoir est d’aider les autres’. De blanken hebben de plicht de niet-blanken te helpen. Over superioriteit gesproken…?

Dominante groepen binnen de gemeenschap van de blanken, ervaren een bedreiging van de bestaande ‘orde’ door immigratie. Die bedreiging is van oude datum. Bij de stukken uit 1962-1963 treft Rigouste een document aan van een oude demograaf over de ‘evolutie van de Algerijnse demografie’. Deze demograaf blijkt al in 1933 een brochure te hebben geschreven en verspreid ondermeer onder rectoren van onderwijsinstellingen. Die brochure is getiteld: ‘Het blanke ras in levensgevaar’.

Hierin wordt verwezen naar de werkloosheid die onder Algerijnen en hun families heerst. Frankrijk wordt daarbij geadviseerd een beperking te stellen aan de instroom van migranten.

De migratiedreiging blijkt in de sfeer van het kweken van angst al een oud beheersingsinstrument van een bevolking. De ‘invasie van migranten’ zal dan ook een belangrijk item worden bij het bewaren van de ‘nationale ziel’ (de Franse, de Nederlandse, etc.).

Het communisme, het communistische stelsel in Oostbloklanden onder aanvoering van de USSR, is lang gebruikt om angst te kweken als beheersingsinstrument van een bevolking. Vanuit die invalshoek is ook de inlander-partizaan mede afgeschilderd als iemand die communistisch gezind en marxistisch geschoold is. De vredesbeweging in Westerse landen wordt van geheime banden met Rusland verdacht. Vredesactivisten worden steevast afgeschilderd als handlangers van ‘het’ communistisch regime.

‘Vijanden’ te over voor stelsels die angst als impuls voor repressie gebruiken. Wat nu als de druk van de ketel gaat en zelfs de USSR ophoudt te bestaan? Er moeten nieuwe zondebokken, nieuwe ‘binnenlandse vijanden’, nieuwe dragers van onveiligheid, van destabilisatie van de bestaande orde, worden gevonden. De ‘binnenlandse vijand’ moet geherdefinieerd worden.

De migratieproblematiek gaat nu een belangrijke plaats innemen. Deze wordt mede de drager van de ‘islamitische dreiging’. Dit is niet nieuw. In een referaat over ‘Algerijnse problemen’ wordt al in mei 1956 opgemerkt dat de ‘islam vandaag de dag verschijnt als de sterkst ontbindende factor van de Franse eenheid’ (aldus citeert Rigouste). De ‘binnenlandse vijand’ heeft dus verbinding met de islam. Dat kan nu tot een islamofobie worden uitgewerkt.

Een andere ‘binnenlandse vijand’ waart rond in de hoedanigheid van ‘criminele migrant’. Dat betreffen, tot nu toe, alle ‘niet-blanken’. Maar er zijn ook blanke ‘binnenlandse vijanden’, te weten zij die uit zijn op fundamentele herziening van het maatschappelijk bestel, dat wil zeggen zij die ‘antikapitalistisch politiek activisme’ bedrijven. Dit alles is op deze wijze bijeen gebracht, omdat het zich allemaal onder de enkelvoudige noemer van  criminaliteit laat brengen.

Dit opent de weg om de ‘dragers van wanorde’ (‘uw orde is de onze niet’) niet alleen via het gewone strafrecht maar ook met behulp van instrumenten uit het arsenaal van de DGR aan te pakken. De ‘langage’ van Sarkozy wijst daar op. Hij spreekt over ‘racaille’ (tuig; hé, waar hebben we dat meer gehoord?) en de wijken ‘nettoyer au Kärcher’ van tuig (schoonspuiten zoals graffiti van muren wordt verwijderd). De theorie van de ‘gebroken ruit’ en de ‘zero tolerance’ worden uit de Algerijnse doos gehaald en de ‘police de proximité’ gaat in ‘probleemwijken’ patrouilleren… Dat is helemaal geen ‘nieuwe’ orde, dat is de ‘oude’ orde. Die is nooit weggeweest!

Veiligheidsstudies

Om dit soort zaken en theorieën te bestuderen en de kennis daarover te verspreiden onder hen die in de ‘uitvoering’ zitten, is in 1989 een instituut opgericht. Het gaat om het ‘Institut des hautes études de sécurité intérieure’ (IHESI). Het instituut is bedoeld als plaats van ontmoeting en samenwerking tussen actoren in de sfeer van defensie en veiligheidsproblematiek, zoals journalisten, industriëlen, universitair geschoolden en leden van de grote statelijke instanties, zoals chefs van ministeriele bureaus.

Met het doel, zo licht Rigouste toe, die samenwerking te verdiepen is het betreffende instituut in 2004 omgezet in het ‘Institut national des hautes études de sécurité’ (INHES). Die verdieping wordt mede mogelijk gemaakt via een para-universitaire structuur, in het ‘Département de recherche sur les menaces criminelles contemporaines’ (DRMCC). Een van de leidende figuren van dat ‘Département’ is een rechtse mediatieke ideoloog die veel schrijft over het islamisme, het terrorisme, de onveiligheid, de migratie en de problematiek van de voorsteden…

Sinds de revoltes van ‘mei 1968’ is naast de ontwikkeling van de sociaal-etnische binnenlandse vijand en daarmee de strijd tegen de islam, ook de problematiek van de contra-subversieve technologie weer actueel. Het uitzetten van vreemdelingen als ‘techniek van bescherming’ is er een uiting van. Daarbij kan ook gewezen worden op het inrichten van ‘vrijheidsbeperkende locaties’, ‘uitzettingscentra’ en het bouwen van ‘grensgevangenissen’.

Het vijandsbeeld dat op de voorgegeven wijze is ontstaan, maakt dat de angst zich vooral richt op de neveneffecten van het bestaande kapitalistische maatschappijbestel. De armoede die het produceert is een van die neveneffecten. Die wordt in de schoenen geschoven van anderen, de migranten bijvoorbeeld, dan zij die het bestel in standhouden en met alle middelen wensen te verdedigingen. Dit is precies het punt waarop de (neo)liberale economische ideologie en de contra-subversieve technologie zich mengen. Hoe pakt dit politiek uit?

Joods-christelijke traditie

Neem bijvoorbeeld Wilders. Ik verklap niets door op te merken dat hij geen socialist is, maar liberaal. Veel van zijn anderhalf miljoen kiezers zijn evenwel niet van liberale huize. Maar zij accepteren het verband dat hij legt tussen migranten (verpakt in termen van ‘instroom’ en ‘criminaliteit’) en hun armoede (van die kiezers dus) waarmee ze ook het onbehagen voelen dat het allemaal nog slechter wordt. Om dat onbehagen te versterken voert Wilders de ‘islam’ op als drager van het grootste kwaad. Voor het bestrijden daarvan wordt een pakket maatregelen uit de sfeer van de ‘contre-subversion’ voorgesteld (het ‘tuig’ in kampen opsluiten; straffen verzwaren, etc.). Alsof dat bijdraagt tot de bestrijding van de armoede…

Het behoeft geen betoog dat Wilders hierin niet alleen staat. Ook Verhagen (CDA; zie de tekst van zijn toespraak in De Volkskrant van 29 juni 2011) houdt zich in die hoek op. Het ‘onbehagen’ bij mensen erkennende, rekent hij als een van de voedingsbodems ervan de vraag of Nederland nog wel Nederland blijft als er zoveel buitenlanders bijkomen (‘blank’). Om het ‘onbehagen’ aan te pakken beveelt hij aan de ‘joods-christelijke wortels van ons land’ te erkennen (‘christen’). Ook hier komt de aap uit de mouw: het onbehagen is terug te brengen tot de confronterende elementen ‘niet-blank’ / ‘niet-christen’. Het kapitalistische productiestelsel blijft geheel buiten kritiek.

Maar wat hebben deze mensen (Wilders, Verhagen) toch met Nederland dat geen Nederland meer zou zijn in relatie tot de joods-christelijke wortels? Verhagen wijst daarbij nog eens naar ‘de katholieke sociale leer’. Niet onbegrijpelijk, want het betreft een anti-socialistische leer. Die is namelijk ontwikkeld om te trachten de socialistische beweging en het de invloed van het marxistische denken, eind negentiende eeuw, de wind uit de zeilen te nemen. Gaan we verder terug in de tijd: vond men in de zestiende eeuw in Noord-Nederland de katholieken niet de ‘perturbateurs van de ghemeyne ruste’? Heeft het christelijke geloof niet voor heel veel armoede, doodslag, maatschappelijke onrust gezorgd?

Rond 1575, toen dat geroemde ‘Nederland’ nog bestond uit steden en ‘republiekjes’, was er groot verzet in de steden om, nadat ze zich van de rooms-katholieke inquisitie hadden bevrijd, aan een gereformeerde inquisitie mee te werken. Lees over al die christelijke ellende eens het boek van H. Bonger, Leven en werk van D.V. Coornhert (Amsterdam, 1978).

Dit zijn dus de wortels waarnaar wordt verwezen door PVV en CDA bonzen. Het is dus niet zo vreemd dat het CDA zich door de PVV laat gedogen. En los daarvan: hoeveel repressie heeft de joods-christelijke traditie niet opgeleverd? Nadat de christenen zich in de vierde eeuw van onze jaartelling aan de Romeinse staat hadden uitgeleverd, G.J. Heering geeft zijn proefschrift daarover de titel De zondeval van het christendom (Arnhem, 1929), heeft die ‘traditie’ zich vooral beziggehouden met repressie. De wortels van de contra-subversieve doctrine lijken mij voor het Westen daar te zoeken. Het is overigens maar goed voor de lezer dat Rigouste zich tot de moderne tijd heeft beperkt in zijn zoektocht. Zijn boek is al omvangrijk genoeg…

Heersend veiligheidsmodel

Rigouste laat zien hoe de dragende elementen in de sfeer van de ‘contre-subversion’ in de loop der jaren zijn herschreven voor het heersende veiligheidsmodel. Hij behandelt er een aantal, zoals:

• De gekolonialiseerde bevolking is vervangen door de bevolking in het algemeen en de volksklassen in het bijzonder. Zij zijn het milieu waar de bedreigingen van de staat (politie, ME,etc.) op is gericht en waar de controles plaatsvinden.

• De inlichtingendiensten kunnen hun oude werk voortzetten met het oog op de nieuwe bedreigingen, waarbij het hen is toegestaan alles te zien, te weten en te voorzien.

• De terreur die in de koloniale situatie werd uitgeoefend is dan wel gestopt, maar de beginselen zijn opnieuw uitgewerkt. Om te beveiligen moet men onveiligheid creëren: de bevolking moet dan ook langs die weg gericht worden bewerkt met het doel om de handen vrij te hebben om (‘mogelijke’) ‘terroristen te terroriseren’.

• De bevolking wordt op de hoogte gesteld welke gevaren er dreigen. Daarbij wordt een ‘binnenlandse vijand’ met socio-etnische kenmerken getoond. Zo verschijnt het beeldmerk van een individu: ‘niet-blank’ en ‘niet-christen’. Het moet de bevolking bewustmaken van het dreigende gevaar, opdat het zich willig laat mee voeren om aan het ‘beveiligen’ mee te werken. Dit is de variant van de contre-subversion waarbij de bevolking gedwongen wordt repressie te ondergaan en er zelfs aan mee te werken, in de strijd tegen de ‘binnenlandse vijand’.

• De psychologische oorlogsvoering in de koloniale tijd is herschreven en dat is in de media gekneed ten behoeve van de bevordering van de geest van de ‘verdediging’, die het mogelijk maakt de bevolking immuun te maken voor ‘nieuwe bedreigingen’.

• Een permanente aanwezigheid van groepen patrouillerende militaro-politionele eenheden in de ‘grijze gebieden’, ingezet tegen de ‘nieuwe bedreigingen’, moet het gevoel van ‘veiligheid’ geven. Het is een onmiddellijk te herkennen activiteit in de toenmalige koloniale gebieden in opstand.

• In de koloniale gebieden gold dat de ‘staatsraison’ de uitzonderingsstaat rechtvaardigde alsmede de ermee samenhangende militarisering van de controle. Dat vinden we terug in het uitgangspunt in ‘vredestijd’: veiligheid gaat vooraf aan alle vrijheden. Dit betekent dat publieke, politieke vrijheden geconditioneerd worden door beveiligingsmaatregelen (dus door maatregelen die de vrijheden inperken).

Dit alles is uitgedacht door wat Rigouste de ‘ingenieurs van de controle en de repressie’ noemt. Het levert op een vorm van oorlogvoering in vredestijd en te midden van de bevolking van een land (‘guerre dans la population’), een binnenlandse oorlog dus.

In Frankrijk heeft bijvoorbeeld het ‘Centre d’entraînement aux actions en zone urbaine’ van het Franse leger een oefening gehouden voor vertegenwoordigers van de NAVO. Daarbij werd de slag om Algiers nagebootst (oefening ‘retex’, afkorting voor ‘retour d’expérience’). Rigouste lijkt er in zijn nawoord bij de heruitgave van zijn boek in 2011 mee te zeggen: bedenk dat ‘ze’ het niet vergeten zijn hoe ook kan worden opgetreden, als ‘zij’ vinden dat het nodig is.

Rigouste wijst er daarbij op dat die ‘binnenlandse oorlog’ ook daadwerkelijk is verklaard door de president van de Franse staat (in zijn rede over de ‘onlusten’ in Grenoble; juli 2010). Daar sprak Sarkozy over ‘de oorlog die ik besloten heb te voeren tegen de schurken’, die hij gaat ‘uitroeien’ (‘éradiquer les caïds’). Daarbij neemt hij in een adem mee ‘een eind te maken aan het wild kamperen van Roma’s’ en hij zal de Franse nationaliteit afnemen van ‘personen die van oorsprong buitenlanders’ zijn. Tevens zal hij ‘met een onbuigzame gestrengheid de strijd tegen illegale migratie’ aangaan .

De zinsbouw en het taalgebruik van de president van Frankrijk in deze verbindt de ‘langage’ van de contre-insurrection van gisteren met het mediatico-veiligheidssysteem van heden. En wie hoort hier niet ook de Nederlandse minister van Veiligheid (jawel) en Justitie spreken? Laten we ook niet vergeten dat in opdracht van opvolgende Nederlandse regeringen de Indonesische bevolking door Nederlanders net zo is geterroriseerd als de Algerijnse bevolking door de Fransen. De Nederlandse minister van Veiligheid kan uit een eigen vaatje van ‘contre-insurrection’ tappen.

Wat ik hier aan Rigouste heb ontleend, heeft hij in een omvangrijke tekst samengebracht. Na een introductie op de problematiek, besteedt hij in het eerste deel van zijn boek aandacht aan de figuur ‘inlander-partizaan’ in relatie tot de praktijk van de contre-subversion (1954-1962). In het tweede deel beschrijft hij de ontwikkeling van het Franse veiligheidsmodel (1959-1981). Het derde deel volgt de ontwikkelingen met betrekking tot de nieuwe ‘veiligheidscultuur’ en het ‘veiligheidskapitalisme’.

De ontwikkeling heeft hij kunnen volgen door twee jaar lang in de archieven van het IHEDN te graven. Het moet een monnikenwerk zijn geweest, maar Rigouste heeft zich zeer in het onderwerp vastgebeten. Het resultaat vind ik verbijsterend.

Thom Holterman

RIGOUSTE Mathieu, L’Ennemi intérieur. La généalogie coloniale et militaire de l’ordre sécuritaire dans la France contemporaine, uitgegeven door La Découverte, Paris, 2011 (dit is de pocketuitgave van de editie die in 2009 in eerste druk verscheen), 351 blz., prijs 12,50 euro.

[Het zelfde boek besprak ik in bekorte vorm ook op de site van De Vrije. Daar vraag ik mede aandacht voor de acties tegen ‘besmette bedrijven’ waarvoor Joke Kaviaar als woordvoerster optreedt. Klik HIER]

2 reacties leave one →
  1. 20/07/2011 09:14

    Sterk geschreven, wist niet eens van het bestaan van deze website af!

  2. Bert van den Bosch. permalink
    20/07/2011 19:07

    Bij dezen wil ik Thom Holterman bedanken, dat hij het monnikenwerk van Rigouste in het Nederlands toegankelijk heeft gemaakt, met zijn transparante uitleg.

    Tevens maakt het duidelijk dat onze meritocratisch politieke orde gebaseerd op agnotolisme weinig met democratie te maken heeft en dat de wezenlijke betekenis
    van wat democratie is bij lange na niet wordt begrepen.

    Ook las ik zijn artikel: “Van Marxist tot Christen” en het interview: “ALS KRITISCHE THEORIE BLIJFT HET ANARCHISME ALTIJD OVEREIND STAAN”.

    Met vriendelijke groet,

    Bert.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: