Skip to content

Politieke Anatomie: Drie Lagen van Macht

08/08/2011

Het is alweer bijna een halve eeuw geleden dat de Italiaanse (politiek)filosoof Alexander Passerin d’Entrèves (1902-1985) een boek over de staatsidee schrijft. Het draagt de titel The Notion of the State (1967). Daarbij concentreert hij zich op het verschijnsel ‘macht’ dat hij gelaagd opbouwt. Die lagen corresponderen met de driedeling die het boek kent, te weten: (1) Might, (2) Power, (3) Authority.

Het eerste deel gaat over, wat juristen noemen, ‘blote macht’ (might = force), het tweede deel over ‘gelegaliseerde macht’ (lawful exercise of force = power) en het derde deel over ‘gelegitimeerde macht’ (legitimate power = authority; ‘gezag’). Passerin d’Entrèves zet zijn tekst op die manier op omdat hij meent, dat de staat niet kan worden opgevat in termen van ‘force’ alleen. Hoewel het boek vijftig jaar oud is, heeft het nog steeds actualiteitswaarde.

Eenzijdige gezagsbinding

Dit wordt duidelijk als we zien dat juristen zich ook heden vooral bezig met de problematiek van het tweede deel van het boek: gelegaliseerde macht. Daarvoor gebruiken zij een term met een ‘verraderlijke zachtheid’: bevoegdheid. Hiermee kan een verbinding met het derde deel van Passerin d’Entrèves betoog tot stand komen. In dat geval spreken juristen over ‘bevoegd gezag’.

Het noopt hen vervolgens tot het schrijven van betogen over ‘legitimatie’. Want zo blijkt meer dan eens: niet elk legaal handelen van ‘bevoegd gezag’ is per definitie ook legitiem handelen. Recent nog  hield een deskundige op het vlak van het belastingrecht, J.L.M. Gribnau, zijn intrederede als hoogleraar aan de universiteit van Leiden over dat onderwerp, getiteld ‘Soevereiniteit en legitimiteit: grenzen aan (fiscale) regelgeving’ (2008; verschenen in 2009, op internet te raadplegen).

De bevoegdheid waarvan hierboven sprake is, zit gesponnen in ‘statelijkheid’. Vele jaren geleden heb ik statelijkheid als volgt omschreven: ‘het mogen verschijnen in de vorm van eenzijdige gezagsbinding’. Het gaat dus in statelijke verhoudingen om gezagsrelaties tussen gezagsdragers en onderdanen. Er ontstaat een gezagsbinding, die eenzijdig tot stand komt. Voor de onderdaan is dit een ‘gegeven’. Dit is anders bij een contractuele relatie. Daar gaat het om een wederkerige, horizontaal gerichte relatie, die een tweezijdige gezagsbinding produceert.

Het mogen verwijst naar wetgeving (in formele of materiële zin) die bevoegdheden creëert. De problematiek van de legalisatie wijst erop dat we in de tweede laag van ‘macht’ zitten. De gezagsrelatie die ontstaat, houdt evenwel zijn dominantiekarakter, want de relatie is vertikaal gericht. De gezagsdrager kan vanuit zijn bevoegdheid de onderdaan ‘bevelen’. Dit ‘bevelen’ is uiterst divers in te vullen (het omvat bijvoorbeeld ook dat de belastinginspecteur iemand een aanslag oplegt). Hier ligt ook een lijn naar het eerste deel van Passerin d’Entrèves boek, de problematiek van de ‘force’: de ‘wet’ kan namelijk ook de weg vrij maken voor het gebruik van geweld. De middelen ervoor blijven namelijk voorhanden. We komen dit later tegen bij de ‘conversie van macht’.

Dit alles behoort tot de discussie over het verschijnsel ‘dominantie’. Passerin d’Entrèves spreekt in alle bescheidenheid over ‘an introduction to political theory’, die hij erover heeft afgeleverd. De Franse sociale wetenschapper Béatrice Hibou is minder bescheiden. Zij heeft recent het zelfde verschijnsel onderzocht en betitelt haar werk dan als een politieke anatomie, te weten Anatomie politique de la domination.

Zij heeft ervan af gezien zich met factoren als geweld, dwang en angst bezig te houden, anders dan wat in menige studie over overheersing van staatswege gebeurt. Daarmee doelt zij op beschrijvingen van autoritaire en totalitaire staatssystemen. Bewust heeft ze eveneens geweigerd dominantie te reduceren tot een bevels- en gehoorzaamheidsrelatie. Ze heeft echter heel andere reducties toegepast. Dat wordt zichtbaar in de opbouw van het boek, dat twee delen kent. Het eerste deel handelt over de legitimatieprocessen van autoritaire dominantie, het tweede deel over de ‘complicaties’ van die dominantie. Dit betekent dat ze niet kijkt naar dominantie in ‘democratische’ staatssystemen.

Letten we op de driedeling die we bij Passerin d’Entrèves aantroffen, dan heeft Hibou dus de nadruk gelegd op elementen uit de derde laag, de legitimatieproblematiek. Daar is natuurlijk niets mis mee. Het is een van de terreinen van de politieke sociologie, van de rechtsfilosofie. Maar bovendien heeft zij dominantie in ‘democratische’ staatssystemen buiten schot gelaten.

Om na deze dubbele reductie dan te spreken over een ‘politieke anatomie’ van dominantie gaat te ver. Hier wordt in de titel een omvangrijker gebied van ontleding (anatomie) opgeëist, dan in feite door het onderzoek wordt bestreken. Dominantie omvat immers meer, dan de legitimatieproblematiek. Het ‘politieke’ bestrijkt een groter gebied dan alleen autoritaire en totalitaire systemen. Tenzij Hibou ‘democratische’ staatssystemen ook onder de autoritaire voegt (wat anarchisten zeker zullen doen, maar Hibou niet, althans dat ben ik in haar boek niet tegen gekomen).

Verraderlijke zachtheid

Hibou richt zich op de ‘verraderlijke zachtheid’ (douceurs insidieuses), waarover Foucault spreekt. Die doet zich voor in de alledaagse praktijk van dominantie. Het gaat er dan om te beschrijven hoe heersende ‘systemen’ (de heersende partij, elite, klasse) mensen ‘paaien’.

Zij bestudeert daarbij de wijzen waarop de overheersten zich gebonden gaan voelen aan het overheersende systeem, dat op zoek is naar legitimatie van zijn macht. Dit kan neer komen op het ‘kopen’ van legitimiteit, zoals bijvoorbeeld in Nazi-Duitsland is geschied door opdracht te geven ‘volksproducten’ voort te brengen: de Volksempfänger (radio), de Volkswohnung (een verdieping), de Volkskühlschrank (koelkast), de Volkstraktor, de Volkswagen. Het ‘economisch wonder’ moet mensen voor het ‘systeem’ zien te winnen. Het kan ook betreffen allerlei vormen van ‘cliëntelisme’ om mensen aan het ‘systeem’ te binden.

Voor het type onderzoek van Hibou betekent het dat men zich afvraagt hoe hetgeen dat door de overheerser(s) wordt ingezet (anders dan via ‘force’) mensen beweegt meegaand te zijn. Hibou wijst er daarbij op dat we dociliteit (meegaandheid) niet als adhesie (instemming) moet opvatten.

De elementen die met het ‘paaien’ van doen hebben kunnen zeer verschillend zijn. Hibou schrijft er uitbundig over. Zij zoekt haar voorbeelden dwars door tijd en plaats heen. Zo vindt ze die in het stalinisme, nazisme, Italiaans (Mussolini) en Portugees (Salazar) fascisme, de situatie in voormalige Oost-Europese landen, waaronder de DDR, in Tunesië (van voor de laatste opstand) en andere Afrikaanse landen. Het komt allemaal over de lezer heen als een waterval.

Het maakt dat de tekst niet een anatomie (ontleding in onderdelen) levert. Hooguit bereikt Hibou ermee dat ze aannemelijk maakt dat uitoefening van macht niet alleen een zaak is van gehoorzaamheid en verboden, van angst en geweld. Ze spreekt daarbij over het ‘verlangen van de staat’ om het kader van een ‘goed leven’ in de maatschappij te bieden, om een ‘normaal en fatsoenlijk leven’ te verzekeren, met behulp dus van de ‘verraderlijke zachtheid’. Daarmee voegt zij elementen van ‘politieke economie’ aan haar betoog toe. Samengevat: dominantie als verschijnsel stoelt niet alleen op repressie, maar ook op het nemen van positieve maatregelen (ten behoeve van het ‘paaien’).

In de schaduw van ‘force’

Dat haar onderzoek daarmee meteen ‘een politieke anatomie van dominantie’ oplevert, is te pretentieus uitgedrukt. Want er is nog een andere problematiek aan de orde, te weten de problematiek van de ‘conversie van de macht’. Bij Passerin d’Entrèves zagen we hoe ‘blote macht’ aan banden kan worden gelegd door wetten. Daardoor verschijnt die macht als ‘legale macht’. Voor zover die macht zich ook laat legitimeren, is er sprake van ‘legitieme macht’, zoals Hibou ook spreekt van ‘legitieme dominantie’ (legitiem in de ogen van overheersten). De ‘conversie’ loopt hier dus in de richting van legitimiteit, maar ‘macht’ is door dit proces niet in niets opgegaan.

Het heersende ‘systeem’ (partij, elite, klasse) kan evenwel op enig moment, onder meer wanneer het zich in de verdrukking voelt komen, de gang van zaken stoppen en keren, dat wil zeggen terugvallen op een vorig stadium van macht. Hibou realiseert zich dat ook, want zij geeft er een aantal voorbeelden van, zoals in het geval van nazi-Duitsland (ontwikkelingen in de jaren dertig met aan het eind ervan het ‘geweld van de rechtsstaat’ – die in feite vanaf het begin van de machtsovername door Hitler niet anders dan een ‘uitzonderingsstaat’ is geweest).

Wat zij zich niet lijkt te realiseren is, dat dit haar idee ondergraaft over de verbreding van het dominantieonderzoek. Door zich uitsluitend met legitimatieprocessen bezig te houden, is zij blijven zitten in de derde laag de macht, zoals door Passerin d’Entrèves op gezet. Daarmee ontken ik niet dat het ‘paaien’, het beschrijven van legitimatieprocessen met behulp van ‘douceurs insidieuses’, tot het dominantieonderzoek behoort. Dit kan echter niet zonder aandacht voor het feit dat het ‘positieve’, het ‘paaien’ steeds geschiedt in de ‘schaduw van de blote macht’. Ik voer dit op als variant van hetgeen wel wordt aangeduid als handelen ‘in de schaduw van de wet’. Dat zit als volgt.

Sommige Amerikaanse juristen zijn gaan spreken over de vrije mogelijkheid van het toepassen van eigen recht (rechtsgenoten kunnen hun eigen regelingen maken en toepassen). Daarbij wijzen die juristen er op dat dit vaak slechts mogelijk is ‘in the shadow of the law’ (het ‘systeem’ kan zelf met een wet komen en mocht er een toepasselijke wet bestaan, dan kan dit alsnog dwingend optreden van de overheid mogelijk maken, etc.). Wel, in de sfeer van de dominantie is het net zo.

Als het ‘paaien’ niet leidt tot de door het ‘systeem’ gewenste hoeveelheid meegaandheid bij mensen, dan kan het ‘systeem’ zijn repressiemiddelen uit de schaduw halen en het gebruik van die middelen activeren om mensen desnoods met geweld tot gehoorzaamheid te dwingen. Hier vindt dan plaats de ‘conversie van de macht’: het ‘systeem’ keert terug tot het niveau van de Might (force).

Kortom, laten zien dat dominantie zich ook in ‘verraderlijke zachtheid’ manifesteert, blokkeert niet de mogelijkheid van het gebruik van geweld (en het herintroduceren van ‘angst’ als instrument van overheersing). Dit alles blijft verscholen in de schaduw om er in een proces van conversie in vol ornaat uit te treden. Geweld blijft dus een dominante factor van dominantie.

Thom Holterman

HIBOU, Béatrice, Anatomy politique de la domination, uitgegeven door Éditions La Découverte, Paris, 2011, 297 blz., prijs 24 euro.

[Beeldmateriaal ontleend aan Indre Union 68, p. 27]

No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: