Skip to content

Alexander Cohen: Een Introductie

08/09/2011

Dit jaar is het vijftig jaar geleden dat Alexander Cohen overleed. Alexander Cohen (1864-1961) was anarchist, individualist, journalist, commentator, en later een overtuigd monarchist. In zijn autobiografische boeken In opstand (1932) en Van anarchist tot monarchist (1936), beschrijft hij zijn jeugd in Leeuwarden, zijn keuze voor het anarchisme, zijn werk voor Recht voor Allen van Domela Nieuwenhuis, zijn verblijf onder anarchisten in Parijs en Londen, zijn werk als journalist en zijn latere politieke verschuiving naar aanhanger van een Franse monarchistische, proto-fascistische stroming. Cohen werd in Friesland geboren, maar eenmaal in Frankrijk voelde hij zich op en top Fransman. Hoe die verandering van zijn politieke opvattingen tot stand kwam, beschrijft hij eveneens in zijn boeken.

Cohen was in de eerste plaats een individualist. Hij ging zijn eigen weg, hij trok zijn eigen spoor, en wilde niet gehinderd worden door welk gezag dan ook. Eerst was dat het gezag van zijn autoritaire vader, onderwijzers en superieuren in het leger, later dat van autoriteiten, justitie en politie. Hij voelde zich al snel thuis in de anarchistische beweging waar hij zijn opstandige gevoelens kwijt kon. In het streven naar vrijheid en de drang te leven zonder de knoet van regelgevers en staat, kon hij zich optimaal vinden.

Zijn opvatting dat een vrije samenleving niet denkbaar is zonder vrije individuen, staat dicht bij de uitspraak van Bakoenin: ‘ik ben pas vrij, wanneer ieder mens vrij is.’ Ieder obstakel dat de ontplooiing van de vrije mens in de weg staat, moet worden bestreden, vond Cohen. Hij was geen theoreticus van het anarchisme, geen denker, maar een fanatiek propagandistisch anarchist en spitsvondig commentator, die autoriteiten en gezagsdragers met een scherpe pen aanviel. Hij organiseerde geen stakingen, acties of aanslagen, maar steunde wel de anarchisten van de daad in de jaren negentig van de negentiendeeeuw.

Cohen werd in Leeuwarden geboren, maar hij voelde zich in hart en nieren Fransman, al zal dat gevoel pas tijdens zijn eerste verblijf in Parijs werkelijk zijn doorgedrongen. Cohen wilde ontvluchten aan de benepen, bekrompen, burgerlijke sfeer en opvattingen in Friesland, waarmee hij niet uit de voeten kon. Zijn stadgenoten Margaretha Zelle (later bekend geworden als Mata Hari), de dichter J.J. Slauerhoff en detectiveschrijver Havank (Hans van der Kallen), moeten diezelfde drang gevoeld hebben, want ook zij lieten later Leeuwarden snel achter zich, wellicht om meer van de wereld te kunnen zien, maar zeker ook om te ontsnappen aan een benauwende opvoeding en de kleinburgelijke mentaliteit in de provincie en wisten zich op de één of andere wijze te manifesteren.

Cohen voelde zich in Frankrijk, in Parijs, meteen thuis. De wereldse uitstraling van de stad, de kosmopolitische sfeer, het bruisende gebeuren van een wereldstad, het aanbod van kunst en cultuur en daar dan ook meteen deel van te kunnen uitmaken, spraken hem aan. Hij sprak de Franse taal goed en bovendien was hij daar al gauw onder politieke vrienden. Door zijn contacten via Recht voor Allen, was hij vrijwel direct een geaccepteerde deelnemer in het anarchistische wereldje in Parijs. Daar was hij spoedig het eerste aanspreekpunt voor Nederlandse anarchisten die naar Parijs kwamen. Domela Nieuwenhuis bezocht Cohen in Parijs meerdere malen, maar ook een gewone jongen als de Rotterdamse anarchist Piet Honig, beschrijft in zijn memoires Herinneringen van een Rotterdams revolutionair, hoe hij bij zijn eerste bezoek aan Parijs, door Cohen hartelijk werd ontvangen.

In zijn anarchistische periode geloofde Cohen nog wel degelijk in de macht van het volk. Hij was van mening dat de bourgeoisie – de veroorzaker van alle ellende – alleen door de gezamenlijke krachten van de massa’s vernietigd kon worden. Cohen steunde eerst de sociale strijd van de arbeiders en de arbeidersbeweging, maar later liet hij deze opvatting steeds meer los. Hij kwam tot de conclusie dat van ‘de massa’ geen revolutionair elan meer te verwachten was, dat van een revolutionaire omwenteling geen sprake meer kon zijn en uitte steeds meer kritiek op de anarchistische beweging. Het anarchisme heeft me van het anarchisme genezen, zo schreef hij.

Cohen koos in de jaren twintig voor de monarchistische, antisemitische beweging Action Française (die het Vichy-bewind van de collaborerende maarschalk Pétain tijdens de Tweede Wereldoorlog volop steunde). Dit lijkt in eerste instantie discutabel en onverklaarbaar, zeker gezien Cohens kritische, individualistische, onafhankelijke houding door de jaren heen.

Maar was Cohen misschien voortdurend bezig, mogelijk onbewust, om voor zichzelf, en later ook voor zijn compagne Kaya, een ideale wereld te vinden of te scheppen? Was hij niet steeds op zoek naar een ideale levenssituatie voor zichzelf? In eerste instantie kon hij daarin met de anarchistische denkbeelden uit de voeten, maar zijn deceptie hierin dwong hem zijn heil elders te zoeken. Was dit alles een zoektocht naar het paradijs, vergelijkbaar met de eeuwige zoektocht naar de heilige graal? Cohen verdroeg geen autoriteit, hij dulde niemand boven zich. Was zijn ‘zoektocht naar het paradijs’ al bij voorbaat door hemzelf opgegeven, zodat hij kon blijven ageren en protesteren? Uit al zijn publicaties blijkt dat hij niet zonder kon. Misschien wilde hij dat paradijs niet eens vinden, hij zou er zich waarschijnlijk doodverveeld hebben.

Is Cohens politieke verschuiving terug te voeren op zijn afkeer van alle -ismen (anarchisme, communisme, socialisme, fascisme)? Wellicht gecombineerd met zijn haat tegen Duitsland, zijn onvoorwaardelijke voorliefde voor Frankrijk, en ook een persoonlijke afrekening met het vaderlijk gezag en de autoriteit van onderwijzers en met superieuren in het leger? Of is het door zijn Joods-zijn, waardoor hij, gezien het antisemitisme in de laatste decennia van de negentiende eeuw, meende zich extra te moeten manifesteren? Want waarom zou een anarchistische journalist van Joodse afkomst zich bekeren tot een antisemitische, monarchistische, nationalistische stroming? In De As 175, geheel gewijd aan Alexander Cohen, wordt geprobeerd op deze vragen een antwoord te vinden.

Het is makkelijk Cohen achteraf neer te sabelen: een anarchist die het anarchisme achter zich liet en die koos voor een tegengestelde politieke stroming. Daarmee zou zijn rol in de (internationale) anarchistische beweging van rond 1890, echter teniet worden gedaan. Zijn politieke verschuiving mag dan voor anarchisten vroeger en nu, misschien onbegrijpelijk en onverklaarbaar lijken, het is geen reden waarom die geschiedenis nu niet eens belicht zou kunnen worden.

Nummer 175 van De As past in de lange traditie die De As heeft met nummers over anarchisten die in de geschiedenis van de beweging een belangrijke of op zijn minst opmerkelijke rol hebben gespeeld. Naast een biografisch portret van Alexander Cohen, is diens briljante verdedigingsrede na zijn arrestatie voor majesteitsschennis opgenomen en wordt aandacht besteed aan diverse aspecten van zijn persoon en werk, niet op biografisch-chronologische wijze, maar meer thematisch gericht. In het artikel Geen spotblad maar een bijtblad beschrijft gastredacteur Ronald Spoor Cohens nooit herdrukte eenmanstijdschrift De Paradox. Hierin stelde Cohen misstanden aan de kaak, schoffeerde hij autoriteiten, leverde hij kritiek op justitie en politie en op het koloniale optreden van Nederland.

Ronald Spoor, als geen ander kenner van het werk van Cohen, samensteller van Uiterst links (1980) – een keuze uit het vroege werk van Cohen – en minutieus bezorger van de correspondentie van Cohen in Brieven 1888-1961 (1997), beschrijft ook Cohens rol bij de promotie van Multatuli in Frankrijk. In het artikel Zeg maar, dat ik in Vladivostok zit beschrijft hij vervolgens Cohens internationale anarchistische en literaire contacten: o.a. met Domela Nieuwenhuis, Sebastian Faure en Rudolf Rocker.

Terugkijkend op het leven van Alexander Cohen, roept diens politieke verschuiving nog steeds vragen op. In Zoeken naar het paradijs, houdt Martin Smit de diverse aspekten ervan tegen het licht.

Mogelijk maakte schrijver Menno ter Braak een niet onjuiste inschatting over Cohen toen hij in 1938 schreef: ‘(…) het lijkt me overigens allerminst zeker dat Cohen, als hij tijd van leven heeft, niet ook nog door de royalisten van het royalisme genezen wordt.’

Van dit laatste ‘isme’ is Cohen echter niet meer verlost.

Martin Smit

No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: