Skip to content

Onderdrukking en Gewin: Systeem en Functie van het Barbarendom

08/09/2011

[in De AS nr. 175 te vinden als rubriek: UIT HET LAND VAN PROUDHON 16]

Een band van Noord-Afrikaanse landen, gelegen aan de Middellandse zee, wordt geconfronteerd met rebellerende bevolkingen tegen de aanwezige overheersers. Zij zijn bezig zich ontdoen van onderdrukking en zij eisen hun deel op van de rijkdommen, die de bodemschatten van hun landen opleveren.   Achter de band van deze landen, ligt een tweede band van landen, waar een zelfde ‘orde’ heerst: rijke dominante groepen onderdrukken bevolkingen, die in (bittere) armoede leven. Daarbij zijn enkele opmerkelijke feiten te signaleren.

In de eerste plaats hebben de huidige dominante elites in een aantal van de bedoelde landen van de voormalige Franse kolonisator geleerd hoe je een bevolking onderdrukt. Die bevolkingen zijn dus van de regen in de drup gekomen. In de tweede plaats heeft de wapenindustrie in een aantal Europese landen inmiddels een halve eeuw finan­cieel geprofiteerd van de wapenleveranties aan milities in de Afrikaanse landen, waarmee bevolkingen onder de duim worden gehouden.

Het Franse anarchistische weekblad Le Monde libertaire (LMl) besteedt aandacht aan het verzet tegen de uitbuiting en onderdrukking in die landen. Zo vindt men op de voorkant van nr. 1625 (3-9 maart 2011) een foto met Sarkozy, die allerhartelijkst Khadaffi de hand schudt. Het opschrift? ‘Het Westerse alibi valt in duigen’. De omslag van LMl nr. 1629 toont een doodshoofd tegen een zwarte achtergrond. De kop luidt: ‘Rwanda 1994 – Frankrijk schuldig’. Een artikel legt uit hoe dat zit.In het ene geval gaat het over Mitterand en Balladur (jaren negentig) en over hun activiteiten voor het behoud van de Franse invloed in de regio (en de greep op de aanwezige delfstoffen). Anno 2011 is het met Sarkozy en Libië niet anders (wel inmiddels tégen Khadaffi, maar voor olie). De Ivoorkust dan? Het zelfde verhaal, alleen gaat het hier over cacao (LMl nr. 1632). Overal onderdrukking, met als doel: greep te houden op economisch profijt.

‘Onderdrukking’ is overigens op zeer uiteenlopende wijzen uit te oefenen. Men kan de aandacht vestigen op die verschillen, maar steeds zal men ook de vraag moeten stellen: ten behoeve van wie en of van wat wordt die uitgeoefend? Pas dan krijgt men een compleet beeld van de situatie.

Als we allerlei behoeften aan botvieren van machtswellust buiten beschouwing laten, dan vindt onderdrukking gemeenlijk plaats om ‘gewin’ in financiële zin. Dit is een constante te noemen. De gedaantes waarin onderdrukking zich voordoet kunnen naar tijd en plaats verschillen, zo ook hetgeen het moet opbrengen, maar ‘systeem’ en ‘functie’ ervan blijven dezelfde.

Bij ‘onderdrukking’ hoeft niet steeds aan fysieke machtsuitoefening te worden gedacht. Als bijvoorbeeld iemand minder begrijpt van wat er om hem of haar heen gebeurt, dan moet zo iemand wel meer vertrouwen schenken aan degene die hem of haar leidt. Dat is het ‘mechanisme’ waarop het bestaande onderwijssysteem is ingericht. Wat geleerd moet worden is: kunnen functioneren in de bestaande socio-economische orde. Zelf­ontplooiing is in dat onderwijs­systeem daarmee tot ‘franje’ gedegradeerd.

Bij het aantreden van Sarkozy als president van Frankrijk was te voorspellen dat ‘franje’ zou worden weggesneden. Het versmallen en versoberen van het onderwijs was reeds in beweging gezet. Dat is doorgegaan en schooltypen die voor de bestaande socio-economische orde niet nuttig zijn, dreigen door actuele regeringsmaatregelen ten onder te gaan, zoals nu ook het libertaire ‘zelfbesturend lyceum’ te Parijs (het LAP; zie LMl nr. 1626; voor meer informatie over deze onderwijsinstelling zie de site: http://www.l-a-p.org/). Weg ermee, de acceptatie van onderdrukking verloopt dan soepeler.

De Franse auteur en filosoof Régis Debray wees er in het Franse dagblad Le Monde (van 29 februari 2007) al voor het aantreden van Sarkozy als president op, dat de technische dwang van de televisie zich meer en meer zou uitbreiden. De ‘nieuwe’ wereld verkeert in een ‘videosfeer’, merkte hij op. Het ‘wij’ (het volk) is gereduceerd tot garnituur, bijvoorbeeld om te applaudisseren bij opnames van een tv-uitzending. Dat wat niet via de televisie tot ‘ons’ komt, bestaat niet, zo legt hij uit. Dat wat niet bestaat, gaat behoren tot het gebied van onze ‘onwetendheid’, voeg ik toe. Einde verhaal voor de universitair geschoolde, de onderzoeker, de schrijver. Kijk naar wat er gebeurt, raadt Debray aan: het is Hollywood, geen Harvard.

Is het vervolgens gek dat juist een studie als agnotologie, de studie van de onwetendheid, in opkomst is? Deze studie houdt zich bezig met de vraag welke mechanismen en instrumenten er worden ingezet om te zorgen dat mensen onwetend zijn met betrekking tot bepaalde kwesties. Le Monde van 4 juni 2011 besteedt er een pagina aan.

Hoe houdt men zich in Nederland bezig met de productie van onwetendheid? Bestudeer eens waarom het kabinet-Rutte opteert voor de kweek van ‘magnetronstudenten’: ‘snel klaar, voor weinig geld en daardoor van bedenkelijke kwaliteit’ (de Volkskrant 6 juli 2011 naar aanleiding van de ‘langstudeermaatregel’). Als het voldoende wordt geacht dat mensen inzetbaar te zijn voor de reproductie van het bestaande sociaal-economisch systeem, waarom zouden die mensen dan met meer kennis, inzicht en vaardigheden (allemaal ‘franje’) moeten zijn toegerust? Scholing kan stoppen waar reproductie verzekerd is. Dat is efficiënt en voordelig.

Dit leidt tot afhankelijkheid van het ‘sys­teem’. Het ‘systeem’ heeft namelijk langs die weg meer greep op mensen. Hier doet zich ‘onderdrukking’ voor, niet met fysiek geweld, maar in de vorm van afhankelijkheidsrelaties met het ‘sys­teem’. Onderdrukking bestaat dus niet alleen uit het koppel bevelen – gehoorzamen. Het ligt ook ingebed in structuren binnen het ‘systeem’ – een constante – die overheersten bindt aan overheersers die permanent op zoek zijn naar legitimiteit voor hun machtsuitoefening. Zo worden dus langs allerlei wegen structuren bedacht – die naar tijd en plaats kunnen variëren – om de afhankelijkheidsrelaties te onderhouden.

Een maatschappelijk verschijnsel dat wordt ingezet ten behoeve van de structurering van de afhankelijkheidsrelaties, is het ‘recht’. Dat laat zich namelijk kneden ter beveiliging van de posities die door heersende machten worden ingenomen. Afhankelijkheidsrelaties wor­­den gepresenteerd bijvoorbeeld als juridische constructies van het type ‘het is nu eenmaal zo geregeld’. Zo zegt de Franse minister van arbeid doodleuk in de kop van zijn artikel over de pensioenen: ‘De regering doet niets anders dan de wet uitvoeren’ (Le Monde, 8 juli 2011). En iets dat in overeenstemming is met het recht (legaliteit), is toch goed (legitimiteit)?

Hoe krijgt men het toch steeds voor elkaar dat mensen dit aanvaarden? Wel, recht ‘openbaart’ zich mede als een vorm van geseculariseerde religie. Men kan observeren dat het in de loop van de eeuwen is gelukt om mensen in het recht te laten ‘geloven’. Hebben we hier met ‘zuiver recht’ van doen?

Het is al weer een tijd geleden, dat sommige juristen zijn gaan zoeken naar dat ‘zuivere recht’. De Franse jurist Carré de Malberg (1861-1935) is er zo een en de Franse politicoloog Didier Mineur volgt in zijn boek getiteld Carré de Malberg. Le positivisme impossible (Michalon Éditions, Paris, 2010) het spoor terug bij de Malberg.

De rechtswetenschap kent een positivistische benadering van het recht. Deze leert dat er geen recht bestaat buiten de wet. Daarmee zitten we met de vraag wie de wetgever dan wel is? Dat kan bijvoorbeeld een dictator zijn, een verlicht despoot of een ander ‘wetgevend orgaan’. Hoe je het antwoord op de vraag ook construeert, altijd kom je voor het recht uit bij een bron die zich buiten de wet bevindt. Verwijst de positivist in laatste instantie naar het ‘natuurrecht’, dan verwijst dat uiteindelijk naar god. Men kan ook naar de ‘maatschappij’ of de ‘cultuur’ verwijzen als bronnen van recht. Telkens zit je dus buiten de wet.

Carré de Malberg heeft met dit probleem geworsteld. Hij draaide zich uiteindelijk vast met zijn ultieme verwijzing naar de ‘wetgevende macht’. Hoe dat werkt weten we maar al te goed. Mineur spreekt daarom van het onmogelijke positivisme, zoals ook de titel van zijn boek aangeeft. Tegen het eind van zijn leven is de Malberg van idee veranderd. De wetgevende macht moet in het reëel bestaande volk worden gesitueerd, opperde hij. Daarvoor verwijst hij ondermeer naar het referendum als een van de instrumenten van directe democratie.

In de tijd van de Malberg bestond ‘het volk’ misschien nog. Heden kennen we vooral, zoals de Fransen zeggen, ‘les people’. Dit Engelse woord voor ‘volk’ vervangt het Franse woord ‘peuple’. ‘Peuple’ verwijst mede naar de politieke betekenis van volk: de burgers. Die betekenis is in de jaren tachtig, met het steeds invloedrijker worden van het ‘spektakel’ en de ‘mediatiek’, verschoven naar toeschouwers. ‘Les people’ zijn de ‘bekende mensen’, dus de mensen over wie in de (roddel)pers wordt geschreven (vooral over hun privé leven), de mensen die vaak op de televisie in beeld komen. Het ‘vulgus’ (de massa, het plebs; voor Wilders zijn ‘Henk en Ingrid’ dit ook, anders zou hij niet zoveel ‘theater’ maken…) dient daarbij als toeschouwer, om zich te vergapen.

Deze opvatting over ‘het volk’ is in andere vormen al veel langer bekend. De aartsvader van het conservatisme, de Engelsman Edmund Burke (1729-1797), laat zich als volgt uit over het volk, dat gaat regeren in het politieke systeem dat geboren is tijdens de Franse Revolutie: de vertegenwoordigers van de derde stand zijn de laagste categorie mensen, het zijn eenvoudige ‘doeners’.

Ze zijn door hun opleiding, hun positie, hun versmalde blik, het minste gekwalificeerd voor het vertegenwoordigende werk. Hij is dan ook tegenstander van de Franse Revolutie. Hij is namelijk tegen de onteigening die de revolutie meebracht, tegen het atheïsme (want hij is tegen de bestrijding van de rooms-katholieke religie). Kortom, hij wijst de bedreiging van de ‘natuurlijke orde’ af. De ‘natuurlijke orde’ is die welke vóór de Franse Revolutie bestond: het Kapitaal beheerst de economische orde, de Roomse Kerk zorgt dat mensen als lammeren zijn.

In zijn boek Burke. Le Futur en héritage (Michalon Editions, Paris, 2010) legt de Franse filosoof Patrick Thierry uit hoe het denken van Burke over de politieke situatie van zijn tijd in diverse werelddelen (Engeland, India, Amerika) in elkaar steekt. Het ‘goede’ bewaren en het ‘kwade’ elimineren, zo kan de toekomst drager van een nalatenschap zijn, zou men aan Burke kunnen ontlenen. Op zich is daar niets op tegen. Maar wie bepaalt wat ‘goed’ en wat ‘kwaad’ is? Voor Burke is dat wel duidelijk: een bezittende dominante klasse weet dat het best.

Waar dit alles op kan uitlopen blijkt in Nederland. Daar kennen we het bestaan van de Edmund Burke Stichting. Die stichting fungeert mede als een soort denktank voor de PVV (zie daarover op de site van de AS, ‘Edmund Burke Stichting en de PVV’).

In het Franse anarchistische tijdschrift Réfractions (nr. 26, voorjaar 2011) wordt het volk weer serieus genomen. Het gaat om de mensen die in verzet komen tegen wat ‘de politiek’ hen oplegt. Wat is de plaats voor dat verzet? De straat en de pleinen! Het nummer van Réfractions wijdt in dat geval zijn ‘dossier’ aan de sociale onrust in de herfst van 2010 in Frankrijk: de demonstraties en de stakingen tegen de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd, bijvoorbeeld. Er zou geen geld meer zijn voor de redelijke uitvoering van de sociale voorzieningen, hoewel te gelijkertijd het aantal miljonairs toeneemt…

De socioloog Alain Bihr, een neo-marxist die naar het libertaire communisme is opgeschoven, analyseert in dat nummer de strategie van de grote Franse vakbewegingen. Het is alsof je over Nederlandse toestanden leest. De titel van zijn bijdrage is veelzeggend: ‘Lessen van een nederlaag’. De onderdrukking door de ‘Sarkozisten’ gaat dus onverminderd door: ‘niet voor het gezin maar voor het gewin’, zullen we maar zeggen. We leven dan ook in een wereld gedomineerd door een neoliberale oligarchie.

Een van de politieke middelen die deze oligarchie – geparenteerd als ze is aan extreem rechts – gebruikt om onderdrukking te maskeren, het opvoeren van de ‘vlottende zondebok’ (afhankelijk van de situatie is er wel een zondebod aan te wijzen; daarom ‘vlottend’ genoemd). Die zondebokken (legale en illegale migranten, moslims, ‘terroristen’, om er een paar te noemen) wordt de schuld van de oplopende maatschappelijke kosten in de schoenen geschoven. Daardoor blijft er te weinig geld over voor een redelijke uitvoering van de sociale voorzieningen, heet het.

‘Honderdduizend werklozen, dat zijn honderdduizend illegalen teveel’, zou door Leers, minister van Immigratie en Asiel, bedacht kunnen zijn. Ik parafraseer François Duprat (1940-1978) die over een miljoen werklozen sprak. Duprat is de eerste ideoloog van het Front National (zie uitgebreid over hem de weekendbijlage Le Monde Magazine, 9 juli 2011). Het kabinet-Rutte opent nu de jacht op illegalen. En dus gaan we ‘monitoren’ of dit leidt tot een sterke daling van de werkloosheid…

Tegen de groepen die achter de vlottende zondebok schuilgaan wordt met alle mogelijke middelen opgetreden. Het Franse overheidsgeweld tegen deze groepen (Roma’s; Tunesiërs met Italiaanse verblijfspapieren; etc.), roept dan de vraag op of zich nieuwe vormen van fascisme ontwikkelen?

Het Franse tijdschrift Vacarme (nr. 55, voorjaar 2011) houdt zich met die vraag bezig. Als er geen sprake van nieuw fascisme is, dan op zijn minst worden we wel geconfronteerd met vormveranderingen (anamorfosen) van het autoritarisme, lezen we. De bijdrage van Salvatore Palidda in Vacarme is stellig daarin. Hij wijst Italië aan als een paradigmatisch geval van wat hij de ‘anamorfose van de rechtsstaat’ noemt. Hij observeert namelijk dat er sprake is van een doorlopende beweging waar wordt omgezet:

– legaliteit in (geaccepteerde) illegaliteit,

– democratie in autoritarisme,

– publiek in privaat.

Ook worden herhaaldelijk fiscale fraude en illegale constructies gepardonneerd, zo merkt hij op, onder voorwaarde dat de burgerpartij financieel krachtig is of als de verschillende belangen groot genoeg zijn. Dit doet zich met name bij dominante ‘partners’ voor: grote zakenlieden en omvangrijke bedrijven kunnen een ‘deal’ sluiten met de top van de belastingdienst. Dit blijkt zich perfect te verhouden met neoliberale ontwikkelingen. Het gaat immers niet anders dan om de ‘asymmetrie van de macht’, zo legt Palidda uit.

Het bestaan van die asymmetrie permitteert dominante groepen (de neoliberale oligarchie) hun winst te maximeren, zich meester te maken van de voordelen van de publieke middelen, rechten aan te tasten en uit te hollen, de wet en juridische procedures te torderen, zodat ze vooral ten voordele van de sterksten werken. Het ‘vulgus’ blijft hier van verstoken – gelet op de asymmetrie. Dat ‘vulgus’ is, binnen het kader van het door het neoliberalisme aangehangen sociaaldarwinisme, overigens toch al veroordeeld tot het delven van het onderspit …

Iedereen die elementen uit de neoliberale oligarchie bruuskeert, wordt ‘weggezet’. Daarin is ook gelegen dat Berlusconi en de zijnen permanent in oorlog zijn met de magistratuur, aldus Palidda. Zij willen dat de ‘asymmetrie van de macht’ toeneemt, waar de magistratuur juist paal en perk wil stellen in het kader van het rechtsstatelijke denken. Het is alsof je over Nederlandse praktijken wordt geïnformeerd.

Tot slot nog enige aandacht voor de vader van het anarchisme, Proudhon (1809-1865), de maatschappijcriticus pur sang, bekend van uitspraken als mokerslagen: ‘Eigendom is diefstal’, ‘God is het Kwaad’. Hoe leer je zo’n man kennen? Uit zijn boeken natuurlijk, maar ook uit zijn brieven. Een tijdgenoot van Proudhon, de literator en maatschappijcriticus Charles Augustin Sainte-Beuve, houdt het op het laatste.

In zijn publicaties past Proudhon vaak een schoktherapie toe. Door zijn brieven als bron te gebruiken wil Sainte-Beuve de ‘ware’ gedachte van Proudhon naar boven halen. Sainte-Beuve heeft kans gezien een groot aantal brieven te verzamelen. Daaruit heeft hij de tekst P.-J. Proudhon. Sa vie et sa correspondance, 1838-1848 gecomponeerd. Deze tekst is hernieuwd uitgegeven (Éditions du Sandre, Paris, 2010), ingeleid en van commentaar voorzien door Michel Brix (onderzoeker aan de Universiteit van Namen, gespecialiseerd in de Franse literatuur van de achttiende en negentiende eeuw).

In een van zijn brieven (4 oktober 1844), verwijzend naar het socialisme in de vorm van politieke economie, voorspelt Proudhon dat de tweede helft van de negentiende eeuw niet afloopt zonder dat de Europese maatschappij onze krachtige invloed (het socialisme) heeft ondergaan (p. 159). De voorspelling is uitgekomen. Maar dat vervolgens het barbarendom er zich zou nestelen, dat is zelfs door hem niet voorzien…

Thom Holterman

[Beeldmateriaal ontwerp Erica Holterman naar aanleiding van ‘Een vuur, een zucht van Feniks en ziedaar: de hergeboorte van het anarchisme’]

One Comment leave one →
  1. 11/10/2011 01:52

    Helemaal fantastisch, deze deconstructie van o.a. de neoliberale waan, deze restauratie van ware kennis en navenante helderheid en esprit aan het intellectuele front, daar node gemist in deze op vele fronten alarmerend armzalige tijden.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: