Skip to content

‘Kennisland’ en Zelfmoord van Jeugdigen

03/10/2011

Nederland moet, zo heet het, zich als ‘kennisland’ profileren. ‘Kennisland’ maakt Nederland slimmer, lees ik op de site onder die naam. ‘Wij’, wordt beloofd, ‘ontwerpen en realiseren interventies om de kennissamenleving te versterken’.

Nederland moet een ‘kenniseconomie’ ontwikkelen, kom ik elders op internet tegen (bij ‘De Kritische Belegger’). ‘Alleen op deze manier kunnen we de concurrentieslag aan met de nieuwe, aanstormende economische grootmachten als China, India, Brazilië en Rusland’. ‘Kennis’ als productiefactor voor economische groei. Ziedaar, het destructieve kapitalisme op zijn onschuldigst. Maar ‘over lijken’ als het moet! Wat heeft dit met onderwijs te maken? Wel, hoe zou je anders tot kennis willen geraken? Het begint dus al bij de kleuterschool.

Slow Science

Laten we eerst het volgende constateren. We zijn terecht gekomen in een wereld die met betrekking tot onderwijs ‘Learning by doing’ (J. Dewey), ‘Education of the Young’ (P. Goodman), ‘Deschooling Society’ (I Illich) als utopisch heeft afgedaan. Het betreft een lijn van denken over onderwijs, die loopt vanaf  begin vorige eeuw tot in de jaren tachtig. Tot die lijn behoort eveneens wat libertair onderwijs heet.

Dit hele kennisfonds is grotendeels weggevaagd door het no-nonsense neoliberale economisch denken vanaf de jaren tachtig: alles raakte gericht op graaien en korte termijn succes. ‘Leef nu, betaal later’, het leidende devies voor de juiste levenshouding, die ook in het (hoger) onderwijs tot uitdrukking is gekomen. Misschien beleven we er heden de nadagen van. Of zal het zo zijn als de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer (1788-1860) zijn lezers voorhield: ‘Het allerergste komt nog’…?

Er tekent zich in ieder geval verzet af vanuit de wetenschap zelf. Zo is er een beweging ontstaan onder de naam ‘Slow Science’ (met een site: slow-science.org). ‘Onderzoeken, nadenken, lezen, schrijven, onderwijzen vraagt tijd. Deze tijd wordt ons niet meer gegund, althans minder en minder’, zo lees ik in hun manifest. Geconstateerd wordt dat de leidende instituties en daarachter de sociale druk, een cultuur van het ‘onmiddellijke’, van de ‘urgentie’ aan wetenschappers oplegt, waarbij de productie in een alsmaar toenemend ritme moet worden gepresenteerd.

Wat je dan ziet gebeuren is dat wetenschappers zelf maar gegevens gaan verzinnen om hun beweringen te onderbouwen. De wetenschap is onderhevig aan ‘macdonaldisatie’. Om daar tegen op te staan wordt voorgesteld om terug te keren naar ‘déexcellence’, zoals dat wordt verwoord in Le Monde van 24 september 2011.

De wedloop om wie de beste (de meest ‘excellente’) is, wordt vastgesteld binnen een rangorde die samenhangt met kwantitatieve criteria: het aantal geproduceerde eenheden (boeken, wetenschappelijke artikelen, etc.). Dit zijn ook criteria die voor jonge onderzoekers gelden om een bepaalde wetenschappelijke post te verwerven. De ‘drive’ om de beste te zijn komt tot uitdrukking in een concurrentiesysteem, dat open is voor malversaties. Het aantal publicaties explodeert, maar levert dit echt het beste (excellent) onderzoekswerk op?

Wat leren enkele cijfers van Thomson Reuters, een organisatie die over de analyse van wetenschappelijke literatuur publiceert, zoals weergegeven in Le Monde van 24 september 2011? Onderzocht zijn de periodes 2001-2005 en 2006-2010. Voor die periodes is gekeken naar publicaties in wetenschappelijke tijdschriften en het aantal artikelen dat vanwege onregelmatigheden (vergissingen, fraude) weer is teruggetrokken.

We zien dan dat van de medische wereld in 2001 87 publicaties zijn teruggetrokken, terwijl dat er in 2010 al 436 zijn. De cijfers voor biologie zijn eerst nog 69 dan 277, in de chemie eerst 5 dan 147, in de neurowetenschap eerst 6 dan 53. Toen over de miskleun van de hoogleraar aan de Tilburgse Universiteit, de sociaalpsycholoog D. Stapel, werd gezegd dat dit slechts het topje van de ijsberg was, wist men waarover men sprak.

Veerkracht

Wat voor een maatschappij en wat voor een onderwijssysteem heeft deze drang tot vervormde kennis opgeleverd? Moet inderdaad het allerergste nog komen? In ieder geval is het zo dat in Frankrijk kinderen meer en meer geneigd zijn om zelfmoord te plegen en de school speelt daarbij niet een onbelangrijke rol. De neuropsychiater Boris Cyrulnik (1937) stelt dan ook voor om de school minder anxiogène (angstwekkend) te maken. Van waar dit advies?

Toen op 17 januari dit jaar een negenjarig meisje met diabetes zich van het leven benam, door van de vijfde verdieping van een flat in een buitenwijk van Lyon te springen, werd Cyrulnik door de Franse regering gevraagd onderzoek te doen naar zelfmoord onder jeugdigen. Eind september dit jaar verscheen zijn rapport (Quand un enfant se donne ‘la mort’, Paris, 2011).

                                                                                     Boris Cyrulnik

Cyrulnik is een bekende Franse neuroloog en psychiater die zich sterk heeft gemaakt voor het behandelen van getraumatiseerde kinderen (zoals die uit oorlogsgebieden in Afrika, met name voormalige kindsoldaten). Hij heeft in dat verband het concept ‘veerkracht’ (résilience) ontwikkeld. ‘Veerkracht’ verwijst bij hem naar het vermogen tot het ombuigen van, tot het een andere wending geven aan zijn of haar lot en een nieuwe start eraan geven.

Cyrulnik weet waarover hij spreekt. Als jongetje van ongeveer zeven jaar werd hij tijdens de oorlog in Frankrijk, met zijn ouders en honderden andere joden, in een kerk  gedreven om op transport te worden gesteld. Hij weet op gewiekste wijze te ontsnappen. Zijn verhaal heeft hij meer dan een halve eeuw voor zich gehouden. In een boekje (omvang 85 bladzijden) heeft hij het nu opgeschreven aan de hand van de vraagstelling hoe herinnering, vertekening, verdringing werken, om met behulp van dit alles de ‘veerkracht’ te vinden om te overleven (de titel van het indringende boekje luidt: Je me souviens, Paris, 2010).

Schoolritme

Als neuroloog weet hij te vertellen hoe hersens werken, reden waarom een onderwijssite hem een advies over het schoolritme heeft gevraagd. Hij leert: ‘ECG’s tonen aan dat het proces van aandacht vasthouden niet langer dan twintig minuten duurt. Daarna bevindt driekwart van de kinderen of studenten zich in een bepaald soort slaapstadium. Dit betekent dat de lessen veel te lang duren. Het betekent ook dat men de dagindeling op school geheel moet wijzigen.

Het eerste uur van de ochtend is van geen waarde, kinderen hebben gewoon nog hun pyjama in hun hoofd. Van 11 tot 12 uur, spelen hormonale wisselingen op en putten kinderen uit. De postprandiale ontspanning  (een bepaalde reactie van bloedsuikers) maakt dat het eerste uur namiddag eveneens een verloren uur is.

Tenslotte, de intellectuele scherpte ontwaakt tegen vier à vijf uur in de middag, wanneer de kinderen weer zijn thuis gekomen. Een schoolweek van vier dagen is dus een catastrofe, waarbij nog komt dat de grote vakanties de hersenen verdoven. Kortom, het schoolritme levert een complete slachting op in Frankrijk’ (aldus het antwoord op de vraag aan Cyrulnik over het schoolritme; zie de onderwijssite: http://www.vousnousils.fr).

Trigger tot zelfmoord

Dit betrof dan zijn oordeel over het schoolritme. Wat valt er te overwegen omtrent het groeiende aantal zelfmoorden door jeugdigen in relatie tot de school? Zoals reeds opgemerkt heeft Cyrulnik daar onlangs een advies over uitgebracht. Het rapport zelf heb ik niet gelezen. Ik baseer me op het artikel over dat advies in Le Monde van 30 september 2011. Daarin wordt Cyrulnik bij herhaling letterlijk geciteerd.

Cyrulnik constateert dat in Frankrijk 16% van de kinderen jonger dertien jaar wel eens denkt dat de dood een oplossing kan zijn voor hun problemen binnen het gezin, op school of binnen hun vriendenkring. De statistieken geven cijfers omtrent zelfmoord van jeugdigen tussen de vijf en twaalf jaar van 30 à 40 gevallen per jaar. Daar moeten de cijfers van sterfgevallen die tot de ‘ongevallen’ worden gerekend, niet bij vergeten worden. Het betreffen ongevallen die als ‘suïcidale equivalenten’ begrepen moeten worden. Cyrulnik: ‘Het ongeval is niet toevallig als een bepaald gedrag het twijfelachtig maakt’ (bijvoorbeeld te ver uit het raam gaan hangen zonder noodzaak).

Na een aantal overwegingen te hebben behandeld die aanleiding kunnen zijn voor het plegen van zelfmoord, komt ook de school als ‘trigger’ aan de orde, zoals slechte schoolcijfers. Cyrulnik: ‘De school is zo selectief en overgewaardeerd geworden, dat ze een uitputting en een gevoel van op je tellen passen teweeg brengt en als dreigend gevaar wordt opgevat. Onderzoek wijst dan ook uit dat 60 à 80 procent van het aantal onderzochte kinderen met angstgevoelens over school rondloopt’.

Cyrulnik neemt vervolgens Finland als voorbeeld waar het schoolprogramma verlicht is, de kinderen later naar school gaan, geen cijfers krijgen voor hun 10de  à 11de jaar. Opvalt dat van tienjarigen het zelfmoordcijfer 40% is gedaald. Dat is anders met kleine Zuidkoreaantjes. Die ondergaan een bovenmatige stimulering van school en worden geconfronteerd met forse bijscholing door privédocenten. Zeker, deze kleintjes leveren goede schoolresultaten af, maar de zelfmoordcijfers zijn eveneens omhoog geschoten…

Zelfmoord aan werk gerelateerd

Mij dunkt dat dit leert dat de school georganiseerd moet worden rond het vermogen van kinderen om bepaalde zaken op te nemen. Daardoor zal de school ook minder anxiogeen zijn. Dat komt de kennisindustrie niet goed uit, gewend als men in de sfeer van de no-nonsense is om ‘over lijken’ te gaan. Letterlijk vindt men dit ook bij grote bedrijven en overheidsdiensten terug onder de noemer ‘zelfmoord op het werk’.

Onlangs nog schoten drie agenten zich op verschillende plaatsen in en rond Parijs en onafhankelijk van elkaar, met hun dienstwapen dood (Le Monde van 24 september 2011). Natuurlijk haast men zich om als verklaring op te geven, zoals dat telkens weer gebeurt, dat huwelijks- of andere niet aan het werk gerelateerde problemen aanleiding waren voor hun zelfmoord. Maar niemand kan ontkennen dat het in dit geval om een ‘extreem beroep’ gaat, dat weer aanleiding kan zijn voor bijvoorbeeld huwelijksproblemen…

Nederland – Kennisland? Weten we wel waarover we spreken?

Thom Holterman

[Beeldmateriaal ontleend aan Unicef France 2007]

No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: