Skip to content

Vrijheid? De Liberale en de Anarchistische Oriëntatie

06/12/2011

Vrijheid is een ‘containerbegrip’. Het is dus onmogelijk het begrip in een sluitende omschrijving te vatten. Afhankelijk van politieke voorkeuren en vooroordelen zal men een keuze bepalen welke elementen er toe doen om te duiden waaraan men denkt bij ‘vrijheid’. De betogen daaromtrent kunnen een hoge graad van ingewikkeldheid hebben. Het lijkt me dan ook dat de inzichtelijkheid van die betogen ermee gediend is, te weten welke politieke ‘oriëntatie’ een auteur kiest om over vrijheid te spreken.

De auteurs die in het jongste nummer van het Franse studieuze anarchistische tijdschrift Réfractions (nr. 27, herfst 2011) schrijven, laten hun voorkeur blijken. Het is niet verwonderlijk te vernemen dat hun oriëntatie een libertaire is. Zij geven hun visie op het onderwerp getiteld ‘Vrij. Maar welke vrijheid?’. Een aantal van hun artikelen vormt het ‘dossier’ onder die titel.

Dossier

De auteurs hebben tot doel het onderscheid te markeren tussen de liberale vrijheidsgedachte en de libertaire of anarchistische gedachte over vrijheid. De aandacht voor dit onderwerp wordt niet alleen ingegeven door de actualiteit van de worsteling tot vrijheid in de Arabische wereld. Een andere reden is dat meer dan eens de raakvlakken tussen het liberale en het libertaire gedachtegoed worden aangekaart als het over vrijheid gaat.

Die raakvlakken zijn er. Maar in de kern zit een ‘springend punt’. Juist dat leidt tot het principieel uiteenlopen van de beide politieke denkrichtingen. De markering ervan is te vinden in het idee van de materiële ‘gelijkheid’. De hantering daarvan leidt tot de afwijzing van de private eigendom als het middel tot hiërarchiering van de samenleving, te herkennen in allerlei onder/bovenschikkingsrelaties. Die afwijzing ligt verankerd in de libertaire oriëntatie. Het tegengestelde vindt men in de liberale oriëntatie.

Een en ander komt aan de orde in de volgende artikelenreeks. Deze opent met een artikel van Eduardo Colombo, ‘La lutte pour la liberté. Les origines’, dat zich vooral met woordafleidingen met betrekking tot het begrip ‘vrijheid’ bezighoudt. Daarna is het de beurt aan Jean-Christophe Angaut met ‘Libertés anarchistes et règne néolibéral de la contrainte’, waarin hij acht slaat op de anarchistische vrijheidsgedachte en de heerschappij van de neoliberale dwang. Hierop volgt Tomás Ibáñez  met ‘Pouvoir et liberté’, dat wil zeggen met ‘macht en vrijheid’.

Zo vindt men verder Monique Boireau-Rouillé, ‘De la priorité du politique sur le social’, die  de discussie aangaat over de prioriteit van het politieke over het sociale. Claudio Albertani vraagt zich af welke betekenis de ‘autonome maatschappij’ heeft voor Castoriades, in zijn ‘Qu’est-ce qu’une société autonome ? Castoriadis, les peuples indigènes et le relativisme culturel’. Daniel Colson houdt zich bezig met vrijheid, anarchisme en het denken van Spinoza, in ‘La liberté, l’anarchisme et Spinoza’. Édouard Jourdain problematiseert het links radicalisme inProudhon, Carl Schmitt et la gauche radicale’. Tot slot komen we nadrukkelijk bij Bakoenin terecht in de bijdrage van Diego Paredes Goicochea, ‘La critique anarchiste de la démocratie : Bakounine et le « moment machiavélien »’.

Onderwijs: ont- of  in-wikkelen?

Het is geen lichte kost. De vraag is dan ook of  men ingewikkelde betogen nodig heeft om duidelijk te maken waarom het in de kern gaan? Neen. De klassieke anarchist Michael Bakoenin (1814-1876) heeft anderhalve eeuw geleden daarover al klare taal geschreven. Zijn uitgangspunt en zijn manier van betogen is nog zeer bruikbaar. Maar zoals het steeds in politieke discussies gaat: je moet wel het uitgangspunt delen.

Hanteer een ander uitgangspunt en er worden verschillen zichtbaar. Waar draait het bij Bakoenin om?

Hij huldigt als vooronderstelling: de menselijke beschaving is product van de samenleving. Een abstracte individuele vrijheid bestaat niet. Men kan vrijheid slechts begrijpen in relatie tot andere mensen. Een mens wordt geboren in een samenleving en ontwikkelt zijn / haar persoonlijkheid en zijn / haar vrijheid daarin. Dat leidt tot een permanent emancipatiestreven.

De libertaire oriëntatie op vrijheid begint dus bij de onvermijdelijke binding van de mens aan de sociale omgeving, die voor een ieder uitmondt in een worsteling tot bevrijding ervan. Deze zienswijze bepaalt bijvoorbeeld libertair ingestelde onderwijs: het ontwikkelen tot vrije persoonlijkheid. Een mens is dus niet eerst vrij (bij geboorte) om daarna onder dwang tot ‘onderworpene’ te worden gekneed, zoals dit in het liberalisme wordt gedacht en tot heden onder dwang van de neoliberale maatschappelijk context in de praktijk wordt gebracht.

Dit laatste is het effect van de vooronderstelling van het liberalisme, legt Bakoenin uit. In die opvatting gaat men uit gaat van een abstracte vrijheid (la liberté originaire, absolute). Dit is de natuurlijke staat waarin de mens wordt geboren. Voor het in gareel krijgen en houden van die vrijheid is een staat nodig (de mens immers de mens een wolf…leren liberalen van Hobbes). De macht van die staat moet echter worden ‘beheerst’ om te voorkomen dat die alle vrijheid opslokt. Dit levert de liberale oriëntatie op vrijheid op, lopend van absolute vrijheid (natuurlijk staat) tot overheersing (staatsingrijpen). Dit is in het gangbare onderwijs terug te vinden: disciplinering ten behoeve van de inpassing in de sociaaleconomische behoeften van de maatschappij. Het onderwijs wikkelt dus in.

Legitimatie-verhalen

Nu moeten we niet vergeten dat het bij het hanteren van vooronderstellingen om keuzes gaat. Men kiest de vooronderstelling om een bepaalde reden. Die reden hangt in dit geval samen met het ‘klassenbelang’ dat men wenst te verdedigen. In de tijd van auteurs als Thomas Hobbes (1588-1679) en John Locke (1632-1704), op wie liberalen zich graag beroepen, sprak men nog niet over ‘klassenbelang’. Maar men hechtte het verschil tussen mensen in die tijd (maar ook daarvoor al) wel aan het feit of zij wel dan niet vermogen (grondbezit met name) bezaten.

De discussie daarover vond plaats in termen van ‘eigendom’, vertaald in het idee dat het een absoluut beschikkingsrecht opleverde. Dit pakt uit in het bestaan van verschillende ‘klassen’ (bezitters / bezitlozen) en ‘hiërarchiseert’ meteen de samenleving naar die tweedeling. Alle ‘verhalen’ daarover, zoals die in het kader van het liberalisme worden geproduceerd, zijn legitimatie-verhalen. Daar tegenover staan de libertaire verhalen, die zich als ‘subversieve verhalen’ kenmerken.

De liberale oriëntatie sluit de vrijheidsgedachte op in de legitimatie-verhalen over de noodzaak van de staat. Die oriëntatie is daarmee onlosmakelijk verbonden met het beschermen van de eigendom en met het beschermen van de bezittende klasse. Over de omvang van de staat valt dan nog te discussiëren (denk aan de ‘minimal state’ gedachte van R. Nozick (1938-2002)).

Het politieke liberalisme kent dus een ‘ambivalente’ houding met betrekking tot de staat: het bestaan ervan is goed voor de bescherming van de eigendom, maar zijn almacht moet wel worden ingeperkt. Wanneer gezegd wordt dat het anarchisme en liberalisme raakvlakken vertonen, dan gaat het om zaken die met het laatste (inperken staatsmacht) samenhangen. Beide visies lopen echter sterk uit elkaar als het om het eerste punt, de eigendom(s verhoudingen; eigendom van de productiemiddelen) gaat.

Dan wordt duidelijk dat de anarchistische, libertaire oriëntatie zich op de bevrijding van de niet-bezitters richt (voorheen geheten ‘arbeidersklasse’). Wat men er ook verder in ingewikkelde betogen bijhaalt, steeds vormen de visies op de eigendomsverhoudingen het springende punt. Het is dan ook de kunst om door de ingewikkeldheid heen te kijken om te zien welk type ‘legitimatie-verhaal’ de auteur aan het voorschotelen is.

Gezaghebbend liberaal

De bijdragen van auteurs in Réfractions waarvan ik hierboven de titels noemde, gaan alle op de een of andere wijze in op de verhouding liberalisme / anarchisme. Het is daarbij onvermijdelijk dat er niet alleen naar (klassieke) anarchisten wordt verwezen, maar ook naar leidende liberalen. Op een van de laatsten wil ik hier wijzen en wel de gezaghebbende Britse politiek filosoof Isaiah Berlin (1909-1997) (ik mocht hem zelf een keer in zijn nadagen tijdens een conferentie in Engeland ontmoeten).

Berlin heeft mede zijn bekendheid verworven door de publicatie van zijn essay Two concepts of liberty (1958). Dat betoog is geschreven op de verhouding liberalisme / communisme. In de literatuur is blijven hangen de tweedeling die hij maakt: negatieve en positieve vrijheid. Negatieve vrijheid verwijst naar het feit dat je ‘vrij bent van’ inmenging om te doen wat je wilt. Positieve vrijheid verwijst naar de mate waarin je instaat bent om je eigen bestaan vorm te geven gelet op de maatschappelijke omgeving waarin dat gebeurt en die maakt dat je ‘vrij bent tot’ zelfontplooiing bijvoorbeeld. Het essay is in vele talen vertaald, ook in het Nederlands onder de titel Twee opvattingen van vrijheid (Amsterdam, 2010).

Iemand die alleen al vanwege de taalbarrière in Réfractions ongenoemd blijft, is de libertaire auteur Weia Reinboud. Ik wijs op haar essay getiteld Welke vrijheid, essay over vrijheid en beschaving (Utrecht, 2009) omdat die vrij is van ingewikkeldheid. Weia bouwt een betoog op vanuit heel eenvoudige situaties, die onmiddellijk inzichtelijk maken welk soort gedrag een referentie heeft met de gewenste vrijheid en welk gedrag niet. Daarbij maakt zij een minimaal gebruik van auteurs die hun sporen in deze materie hebben verdiend. Soms komt er een om de hoek kijken, zoals John Stuart Mill (1806-1873). Haar essay leert je: het kan ook zonder ingewikkeldheid om je punt duidelijk te maken.

Kundige opzet

In het onderhavige nummer van Réfractions komt men meer tegen dan de teksten in het dossier. Maar door de kundige opzet van dit nummer staan de overige teksten ook in het teken van de vraag over welke vrijheid we eigenlijk spreken. De lezer vindt dat zelfs terug in de opgenomen boekbesprekingen. Zo handelen sommige besproken teksten over ‘democratie’. Waar het dan over de liberale oriëntatie gaat, vindt men die terug in het ‘verwerken’ van democratie, dat wil zeggen in het ‘neutraliseren’ ervan. Dat geschiedt door middel van ‘parlementarisme’, ten onrecht steeds als ‘democratie’ opgediend, zo wordt uitgelegd.

Anarchisten zullen, gelet op hun oriëntatie, voor ‘democratie’ verwijzen naar directe democratie. Dit vindt men bijvoorbeeld terug in ‘participatiedemocratie’. Waar men die toepast leidt dit nog niet direct tot een probleemloze besluitvorming. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de in Réfractions opgenomen bijdrage van Simon Luck en Irène Pereira getiteld ‘Beraadslaging en politieke vrijheid in anarchistische organisaties’.

Hoewel geconcentreerd op het vraagstuk van de liberale en libertaire oriëntatie op vrijheid, is er toch een gevarieerd nummer afgeleverd.

Thom Holterman

RÉFRACTIONS, recherches et expressions anarchistes, nr. 27, herfst 2011, 164 blz., 15 euro (zie: http://refractions.plusloin.org/ ).

No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: