Skip to content

Infiltratie: van Rusland tot Nederland

02/01/2012

[In de AS nr. 176 te vinden als: Redactioneel]

Dit nummer van de AS gaat over infiltratie. Het gaat over geheime diensten, veiligheidsdienten, of hoe ze zich ook noemen, die mensen, hun eigen agenten of overlopers, inzetten om inside informatie te verkrijgen van actiegroepen, radicale groeperingen, linkse partijen en bewegingen en dergelijke. Daarbij blijft het zelden bij het alleen verzamelen van informatie. Vaak ook zie je pogingen groepen naar de hand van de inlichtingendiensten te zetten of te provoceren tot strafbare handelingen waarop dan ingegrepen kan worden. Dat de overheid gebruik maakt van infiltranten en provocateurs is niet nieuw, al is het ontluisterend voor wie nog wat vertrouwen heeft in de rechtstaat.

Al in 1925 verscheen Wat elke revolutionair moet weten over repressie van Victor Serge. De auteur had inzage in de archieven van de Tsaristische geheime dienst, de Ochrana.1 Deze archieven waren na de oktoberrevolutie van 1917 in handen van de bolsjewieken gevallen. Serge schetst een indringend beeld van deze dienst en de door haar gehanteerde methoden om revolutionaire, en vermeende revolutionaire personen en groepen nauwgezet op te sporen en in de gaten te houden. Daarnaast hield de dienst overigens ook toezicht op hogere kringen, om te weten te komen wat daar leefde. Tsaar Nicolaas I had de Russische geheime dienst opgericht na de decabristenopstand in 1825, die de tsaar als een volkomen onverwachte gebeurtenis ervoer.

Deze geheime dienst werd in 1881 omgezet in de Ochrana in het jaar dat Narodja Volja (volkswil) een geslaagde aanslag op tsaar Alexander II pleegde. De Ochrana perfectioneerde haar methoden maar kon uiteindelijk de revoluties van 1905 en van 1917 niet voorkomen. Wel slaagde zij erin veel revolutionairen aan te houden, met name door infiltratie en provocatie, en te laten verbannen naar Siberie en andere afgelegen streken. Na 1917 was het overigens niet afgelopen met geheime diensten in Rusland.Onder steeds wisselende namen, NKVD, GPOe , KGB zetten de opvolgers van de Ochrana hun werk voort, nu niet meer in dienst van de tsaar maar van Lenin, Stalin enzovoorts. Nog maar deels gericht op de (vaak vermeende) revolutionaire oppositie maar vooral op repressie van de bevolking in het algemeen en van schrijvers, dichters en componisten in het bijzonder. Het lijdt geen twijfel dat wel de politieke kleur van de opvolgers van de Ochrana maar niet de methoden veranderd waren, hoogstens verder uitgebreid. Victor Serge werd er zelf ook het slachtoffer van, hoewel hij zijn vege lijf kon redden omdat hij door druk van buitenlandse schrijvers uit Rusland werd uitgewezen. Toen in 1989 na de val van de muur de archieven van de Oost-Duitse geheime dienst, de STASI, op straat kwamen te liggen bleek hoezeer de communistische geheime dienst juist de gewone bevolking in de gaten hield. Tot ontzetting van velen bleken er dossiers van hen op basis van informatie van mensen van wie ze dat nooit verwacht hadden. Dat was in Rusland natuurlijk ook zo en zal in andere communistische landen niet anders zijn geweest.

Terug naar Victor Serge en vergelijk maar eens met wat Arie Hazekamp in deze AS schrijft over de activiteiten van de PID in Nijmegen. Victor Serge beschrijft de recruteringsmethoden van de Ochrana. Speciaal opgeleide agenten recruteerden infiltranten, die van hen een schuilnaam kregen en onder hun toezicht stonden. Om de revolutionaire beweging beter de kop in te kunnen drukken, liet de Ochrana toe dat de beweging kon groeien, zo nodig met hulp van infiltranten. Door arrestatie van leidende figuren uit die beweging konden infiltranten ook een steeds belangrijker plaats innemen. Er zijn in de Russische geschiedenis voorbeelden van infiltranten die vakbewegingen opzetten, illegale kranten uitgaven of revolutionaire groepen leidden.

Serge citeert uit een handboek van de Ochrana: ‘De aanwerving van geheime agenten moet een bestendige zorg zijn van den bestuurder van den opsporings­dienst en zijn medewerkers. Zij mogen geen enkele gelegenheid verwaarlozen, zelfs als er maar weinig kans van slagen is, om agenten te winnen. Die taak is uiterst kiesch. Om haar te vervullen moet men vooral in voeling trachten te komen met politieke gevangenen.’

‘Als bijzonder geschikt om in dienst te treden moeten beschouwd worden: de karakterzwakke revolutionnairen die, ontgoocheld of in hun eigenliefde gekwetst door de partij, in ellende leven, uit de verbanningsoorden ontsnapt zijn of op het punt staan er heen gezonden te worden.‘ Een aangeworven agent moet volstrekte geheimhouding betrachten en in niets zijn levenswijze veranderen. Het is verder belangrijk dat de opspo­rings­dienst een nauwgezette studie maakt van de psychologische kenmerken van mogelijke geheime agenten.

De Russische geheime dienst slaagde er eind negentiende eeuw Narodja Volja (Volkswil) grotendeels op te rollen doordat ze een infiltrant in de beweging had, al kon ze de aanslag op Alexander II niet voorkomen. Wel slaagde ze erin de daders aan te houden, een aantal van hen stierven op het schavot, de anderen verdwenen in de kerkers van het Peters­burgse fort Schlüsselburg. Vera Figner, de laatste overlevende van de betrokken groep, beschreef in haar herinneringen Nacht over Rusland haar half ondergrondse leven met de voortdurende dreiging van verraad, haar twintig jaar eenzame opsluiting, en haar terugkeer in de wereld.2

Algemeen bekend was dat ook in Nederland de anarchistische beweging nauwgezet in de gaten werd (en wordt)gehouden door de politie. Agenten woonden openbare vergaderingen bij en maakten nauwgezet aantekeningen over wat er door wie gezegd was. Graven in politie- en andere overheidsarchieven levert dan ook vaak veel extra informatie op over vooroorlogse anarchistische groepen. Zo zijn de rapporten van de CID, de centrale inlichtingen dienst, over de jaren 1919-1940, voor zover ze reconstrueerbaar waren (want de CID had in mei 1940 haar archief vernietigd) op het net in te zien.3 Het betreft jaarrapporten en lijsten militanten van rechts en links. Ook andere archieven kunnen veel informatie opleveren.

Uit een van de nummers van De Arbeider uit 1924 komt een vroeg Nederlands voorbeeld van infiltratie door een politiespion. Elshout woonde in het Kees Boeke Broederschapshuis in Bilthoven. Dit was het huis van de pacifistische pedagoog Kees Boeke, oprichter van de ‘De Werkplaats’ een nog steeds bestaande school in Bilthoven. Het huis was een trefpunt voor pacifisten en anarchisten, er werden manifestaties gehouden, er werd gekampeerd en er werd vergaderd. Op een lezing in 1922 merkt de plaatselijke veldwachter, die ambtshalve alle vergaderingen van anarchisten moest bijwonen, op dat Elshout zit te lachen om een uitspraak van de spreker, Jo Meyer, over Indië. (Jo Meijer was de echtgenoot van Clara Wichmann.)

Els­hout wordt als politiespion aangeworven en rapporteert aan brigadier-rechercheur Noppen en hoofdinspecteur Brandt van bureau Bilthoven over de anarchistische jongeren beweging VJV (het Vrije Jeugd Verbond, waaruit onder andere De Mokergroepen voortkomen) over het SAV (het Sociaal Anarchistisch Verbond) de BRAC (Bond van Religieus Anarchisten) en over de groep Bilthoven. Hij krijgt hiervoor eerst zes en later twaalf gulden per week, ruim een half weekloon van een arbeider in die tijd. Elshout wordt in 1924 secretaris van het Japan­komitee. Hij doet zijn baantje klaarblij­kelijk goed, maar als hoofdinspecteur Brandt de administratie van het Japan­komitee ter inzage krijgt en niet meer terug wil geven loopt Elshout tegen de lamp.

Ook in de Amsterdamse provotijd werden activisten geworven om Provo in het algemeen en Roel van Duijn in het bijzonder in de gaten te houden. Zie het verslag van Roel van Duijn in dit nummer om te weten te komen wat er voor informatie over hem was. Het is een mooi voorbeeld van de vertragingstechnieken en weigerachtigheid van de tot meer openheid gedwongen Nederlandse overheid. In het hart van Provo bleek een informant te zitten en tot lang nadat Provo opgeheven was en Roel van Duijn een (overigens niet door allen) geres­pecteerd groen politicus was geworden, werd hij nauwgezet gevolgd. Blijkbaar zijn ook de linkse partijen onderwerp van de Nederlandse veilig­heids­dien­sten.

Verder haalde de inlichtingendienst niet alleen activisten over informant te worden, maar ook zette ze eigen agenten in die moesten infiltreren in politieke groepe­ringen als de Socialis­tische Jeugd en de Rode jeugd. Martin Smit schijft over de Groep IJzerman die in Am­ster­dam vier agenten inzette. Zijn verhaal klinkt als een spannend jongensboek met schuilnamen en al. Verhalen over infilranten zijn veelal gebaseerd op de enkele spijtoptant onder de inge­zette infiltranten of op een agent die prat ging op zijn spionage en provocatiewerk, en jaren later uit de school klapt. Dat is ook de bron voor het artikel van Ron Blom.

Als je deze artikelen leest zijn er duidelijke parallellen met wat Serge beschrijft. Het lijkt alsof de Nijmeegse en Amster­damse PID hetzelfde handboek gebruikten als de Ochrana. Natuurlijk maken veiligheidsdiensten heden ten dage ook en misschien wel vooral gebruik van andere methodes, zoals analyse van alle mogelijke dataverkeer en informatiestromen, van afluisteren en inzage in berichtenverkeer, van doorzoeken van informatie op vriendensites als Faceboek en dergelijke, van registratie van reizen van personen et cetera, maar nog steeds lijkt de informant, de infiltrant, die je ook kan inzetten als provocateur, een beproefde methode.

En zo’n informant werft de veiligheidsdienst door handig in te spelen op, wat Serge zo mooi beschrijft als, karakterzwakheden of gewoon door chantage met rechtsvervolging. (Zie het artikel van Arie Hazekamp voor voorbeelden) Als zo iemand dan een positie verworven heeft in een beweging heeft de veilig­heidsdienst een mogelijkheid de groep te beïnvloeden. De infiltrant kan geïnstrueerd worden om bijvoorbeeld aan te zetten tot geweld, zoals beschreven wordt in het fraaie artikel van Ron Blom over de Amsterdamse agent die infiltreert in een arbeiders- en soldatenraad. Dat hij onmiddellijk in deze groep werd opgenomen is wat naïef van de leden ervan, maar wellicht wel verklaarbaar als je je realiseert dat destijds iemands klasse bijna steeds af te lezen was aan zijn kleding. Een als sjofele soldaat verklede agent werd zo voor een arbeider gehouden.

Open organisaties lopen natuurlijk steeds het risico dat zich ook belangstellenden melden die andere interesses hebben. Zo kon Gardiner zich indringen in de VAKgroep in Woensdrecht. Dat de pacifisten daar niet bereid waren mee te werken aan gebruik van geweld was een misrekening van zijn opdracht­gevers en een interessant feit voor actievoerders. Het maakt iemand, ook al meen je hem al lang te kennen, die steeds pleit voor ‘harde actie’ of buitenproportioneel geweld wil gebruiken en al helemaal als hij de instrumenten daarvoor aanreikt, op zijn minst verdacht in opdracht te handelen. Uit Victor Serges brochure kun je ook concluderen dat degenen die om onduidelijke redenen de justitiële dans ontspringen na gepakt te zijn op een strafbaar feit misschien wel informanten geworden zijn. Ook hiervan noemt Arie Hazekamp een voorbeeld.

Het artikel van Thom Holterman beschrijft de ontwikkeling van het veiligheidsdenken in Frankrijk. Het lijkt een hele tak van wetenschap geworden te zijn. Het is treurig te bedenken dat angst de drijvende kracht achter veel overheidshandelen is geworden. Angst en wantrouwen leiden tot informatiehonger, die echter nooit in staat zal zijn de angst en het wantrouwen werkelijk te verminderen. De paranoia wordt alleen maar groter omdat iedere snipper informatie uitgelegd kan worden als een bevestiging van de noodzaak van achterdocht.

Als je dit nummer leest, verbaas je je dat er überhaupt nog illegale acties door actiegroepen gevoerd kunnen worden. Het zal niet alleen repressieve tolerantie zijn dat kraakacties lukten, dat Onkruit bunkers kon openbreken, dat RARA de Makro kon helpen bij haar beslissing zich uit Zuid-Afrika terug te trekken. Een deel van het antwoord ligt in de structuur van de betrokken groepen. Veelal zijn actievoerders niet georganiseerd in formele clubs of verenigingen maar in affiniteitsgroepen, kleine groepen van mensen die elkaar al lange tijd kennen uit acties, die ideeën delen en vaak ook een manier van leven.4 Daar­door zijn ze vrienden geworden die op elkaar kunnen rekenen. Een affiniteitsgroep mist een formele organisatiestructuur en kent vaak een wat wisselende samenstelling. Ondanks haar informele karakter is een affiniteitsgroep toch een gesloten groep.

Omdat de groep door vriendschapsbanden bij elkaar gehouden wordt zal een nieuweling, laat staan een infiltrant, niet makkelijk opgenomen worden. Als buitenstaander kun je dus niet makkelijk aansluiten bij de kern, al kun je vaak wel met acties meedoen – als je tenminste hoort dat die acties plaatsvinden. Daar­voor moet je weer mensen kennen die bij de organisatie betrokken zijn. De inlichtingendienst kan zo wel infiltranten mee laten doen met acties, maar niet makkelijk invloed krijgen in een affiniteitsgroep. Het lijkt makkelijker een agent te laten infiltreren in een formele organisatie als de Socialistische Jeugd dan in een affiniteitsgroep. Zo schijnt dat bij RARA niet gelukt te zijn. Ondanks arrestaties van vermoedelijke leden lukte het destijds niet deze mensen te laten veroordelen.

Voor een open organisatie, zoals een basisgroep, die opereert binnen de mazen van de wet, is een infiltrant een minder groot probleem dan voor een actiegroep die op de grens van de wet opereert, bezettingen uitvoert of huizen kraakt. Voor beide is het wel belangrijk alert te blijven: wat is dat voor iemand die zichzelf aanmeldt. Het is niet verstandig paranoïde te worden, dat bederft een hoop plezier in het leven. Laat die paranoia maar over aan de staat, maar het is altijd wijs om de kat uit de boom te kijken en niet te goed van vertrouwen te zijn. Vaak zegt het gevoel dat een bepaald persoon bij je oproept al veel over in hoeverre je met die persoon in zee kunt gaan. En verder – trek je terug op je eigen affiniteitsgroep als het gaat om echt belangrijke zaken.

Jaap van der Laan

NOTEN

(1) Victor Serge, Wat elke revolutionair moet weten over repressie; heruitgave door De Dolle Hond, Amsterdam 2000

(2) Vera Vigner, Nacht Over Rusland. In 3 dln.; heruitgave door Kelderuitgeverij, Utrecht z.j.

(3)http://www.historici.nl/bots/Onderzoek/Projecten/RapportenCentraleInlichtingendienst1919-1940

(4) Louis Mervier Vega, Affiniteitsgroepen; Spreeuw, libertaire uitgeverij, Utrecht z.j.

[Beeldmateriaal van de graficus Henc van Maarseveen ontleend aan het project ‘Beeldboek’ door Grafiek Coalitie Gouda; zie: http://www.stadsmuseumwoerden.nl.]

No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: