Skip to content

Franz Oppenheimer (1864-1943): Libertarisme en Recht, Markt en Staat

11/02/2012

Het libertarisme, net als het libertairisme (van ‘libertair’), huldigt een anti-staatsgedachte. Toch verschillen beide ‘politieke’ gedachtesystemen van elkaar. Het libertarisme wordt wel als anarcho-kapitalisme getypeerd, terwijl het libertairisme zich als anarcho-socialisme kenmerkt.

De historische ontwikkeling van beide gedachtesystemen kennen verschillende vertrekpunten en zijn in verschillende ‘politieke’ bewegingen herkenbaar. Het libertarisme is sterk met het klassieke liberalisme verwant en wordt zelfs geacht daarmee samen te vallen. Het libertairisme heeft zijn binding met de negentiende-eeuwse arbeidersbeweging en met het revolutionaire (anti-staatse) socialisme en syndicalisme.

Ondanks de verschillen zijn er punten van overeenkomst te herkennen tussen de beide gedachtesystemen, zoals de genoemde anti-staatsopvatting. Bij het herkennen van overeenkomsten komt het voor dat er verwezen wordt naar een zelfde auteur, die zich met bepaalde sociaal-maatschappelijke verschijnselen heeft beziggehouden.

Een van de auteurs die hier aan voldoet, is de negentiende- en begin twintigste-eeuwse Duitse arts, socioloog en econoom Franz Oppenheimer. Zijn boek uit 1908 over de staat en zijn ‘veroveringsthese’ wat de herkomst van de staat betreft, heeft zowel binnen libertarische als libertaire kringen bekendheid gekregen.

Het boek met als titel Recht, Markt en Staat, ontstaan onder de redactie van Frank van Dun, riep dit alles bij mij in herinnering. Het boek van deze libertarische rechtsfilosoof  fungeerde als werkboek voor het vak ‘Metajuridica’ in de rechtenfaculteit aan Universiteit Maastricht (de laatste versie, van december 2011, is gebaseerd op de editie van 2003-2004).

Ik ga hier een aantal standpunten van Van Dun, die in dat boek voorkomen, bespreken en van commentaar voorzien. Het is geen juridisch boek. Het gaat wel over de wijze waarop er sprake kan zijn van recht in de maatschappij waarin we leven.

Wat het boek interessant maakt, is de wijze waarop het libertarische gedachtegoed – zoals door Frank van Dun voorgestaan –  als een rode (!) draad door de tekst is gesponnen. Omdat Van Dun zich nadrukkelijk aansluit bij een specifiek inzicht van Oppenheimer, wil ik eerst kort diens leven en werken schetsen.

Franz Oppenheimer

Het is eindjaren zestig dat ik het boek Der Staat (in een herdruk uit 1919) in handen krijg, waarin Oppenheimer over het ontstaan van de staat schrijft. Mij is er  altijd van bij gebleven, dat  Oppenheimer het ontstaan van de staat met geweld, roof en onderdrukking laat samenvallen. Koren op de molen van een anarchist. Oppenheimer heeft het niet in de hoedanigheid van anarchist geschreven. Hij heeft zich ook nooit tot die ‘politieke’ stroming bekend. Het is een paar jaar na het lezen van zijn boek over de staat, dat ik mij in deze curieuze persoonlijkheid ben gaan verdiepen.

                                                               Franz Oppenheimer (1864-1943)

Na zijn medicijnenstudie promoveert Oppenheimer in 1885 in de medicijnen. Aansluitend daarop werkt hij tot 1895 als huisarts in een sloppenwijk van Berlijn. Vaak voelt hij zich hulpeloos bij het ziekbed van een tbc-patiënt. Gelet op de grote aantallen van dit soort patiënten komt hij erop dat alleen een individuele therapie niet volstaat. Hij doorziet dat aan dit soort ziekten een sociaal probleem ten grondslag ligt.

Die manier van ervaren en ‘kijken’ maakt dat Oppenheimer zich ontwikkelt van individueel gerichte arts tot een socioloog met sterke belangstelling voor (sociale) economie. Hij herkent niet alleen het pauperisme maar legt ook de bron ervan bloot. Oppenheimer wordt daarmee een van de pioniers van de ‘sociale therapie’.

Om meer beslagen ten ijs te komen, houdt hij zich vanaf 1890 bezig met het bestuderen van sociaal-politieke vraagstukken waarover hij ook publiceert.

In 1896 verschijnt zijn eerste wetenschappelijke werk, De Coöperatieve woningbouwvereniging, waarin hij zijn ‘transformatiewet’ ontwikkelt. Het is zijn inschatting dat alle coöperatieve verenigingen genoopt zullen zijn zich, in kortere of langere tijd, tot kapitalistische ondernemingen om te vormen (de dwang van de omgeving). Deze ‘wet’ wekt tot op heden de aandacht, omdat die dwingt tot bewustzijn hoe men een opgestarte niet-kapitalistische productiewijze weet te handhaven in een kapitalistische omgeving…

In 1909 is Oppenheimer medeoprichter van de Duits Vereniging voor Sociologie. In het zelfde jaar promoveert hij in de filosofie bij de econoom David Ricardo. Van 1909 tot 1917 is hij Privatdozent in Berlijn. In 1919 gaat hij de, door Frankfurtse kooplieden gestichte leerstoel sociologie en theoretische staatshuishoudkunde aan de Goethe-universiteit te Frankfurt, bezetten. Hij is daarmee de eerste hoogleraar sociologie in Duitsland (tot 1929).

In 1934 / 1935 doceert hij in het Britse mandaatgebied Palestina, waarna hij in 1939 een leeropdracht in Tokio krijgt. In 1940 emigreert hij naar de USA (Los Angeles; met zijn dochter Renate). Naast andere publicaties als De staat is hij de auteur van ondermeer het meerdelige Systeem van de Sociologie. Als econoom denkt Oppenheimer aan een ‘politieke economie’ opgezet vanuit vrije, zelfstandige, coöperatieve verenigingen. Met behulp daarvan kunnen verenigde mensen hun samenhandelen organiseren.

Gelet hierop is het niet vreemd hem terug te vinden als redacteur van de Duitse vertaling van een zeer lijvig boek over de geschiedenis van de politieke economie (l’Histoire des doctrines économiques; in het Duits: Geschichte der volkswirtschaftlichen Lehrmeinungen, 1909). Het origineel is van de hand van de Franse jurist en econoom Charles Gide (1847-1932), een groot voorstander van het coöperatiewezen en associatie-verbanden (met als coauteur Charles Rist).

Het boek De Staat wordt wereldbekend (mede door de vele vertalingen ervan). De invloed ervan gaat verschillende kanten op: zowel de libertarische als de libertaire. Het komt mij voor dat het boek vooral in libertarische kring is blijven voortleven. Aan de site van het Ludwig von Mises Institute, een denktank van het libertarisme, ontleen daarover ik het volgende.

Het boek van Oppemheimer over de staat levert de aftrap voor een eeuw van publicaties over anti-staat en pro-eigendom publicaties. Het vormt het prototype voor Albert Jay Nock’s publicatie Our Enemy, the State (1935). Met zijn opvatting over de herkomst van de staat (verovering etc.) kraakt hij de sociale contractstheorie met betrekking tot de oorsprong van de staat. Het is vervolgens Murray N. Rothbard  (1926-1995) die Oppenheimers theorie opgepakt en deze in het kader van een vrije markt verwerkt (Rothbard, Amerikaanse econoom en politiek filosoof, libertarier; vertolker van het klassieke liberalisme en anarcho-kapitalisme). Voor de duidelijkheid voeg ik hier aan toe, dat de klassieke anarchisten dan al met een soortgelijke kritiek de sociale contractstheorie hadden afgewezen.

‘Economische’ methode en ‘politieke’ methode

Omdat men in het boek van Van Dun regelmatig een verwijzing naar Oppenheimer tegenkomt waar deze spreekt over de twee verschillende wijzen van verwerven van geld en goed, geef ik dat hier in de woorden van Oppenheimer weer (overgenomen uit de Nederlandse vertaling van zijn De staat):

“Er zijn twee lijnrecht tegenover elkaar staande middelen, waardoor de mens, die overal door dezelfde drift tot levensbehoud wordt voortgestuwd, in zijn behoeften kan voorzien: arbeid en roof, eigen arbeid of de gewelddadige toe-eigening van de vruchten van andermans arbeid. ‘Roof! Gewelddadige toe-eigening!’.

Wij ontwikkelde mensen van de moderne tijd, wier beschaving juist is opgebouwd op de onschendbaarheid van de eigendom, denken bij deze beide woorden aan misdaad en tuchthuis; en die klank laat ons niet los, zelfs al blijkt het ons overtuigend, dat land- en zeeroof in primitieve levensomstandigheden zo als het handwerk van de krijgsman dat lange tijd trouwens niets anders is dan georganiseerde massa-roof –  de meest eervolle beroepen uitmaken.

Om die reden, en ook om voor de verdere gang van het onderzoek deze belangrijke tegenstelling door twee korte scherp tegen elkaar afstekende termen te kunnen uitdrukken, heb ik voorgesteld, om eigen arbeid en de ruil van eigen tegen gelijkwaardige vreemde arbeid het ‘economisch middel’ te noemen, daarentegen de toe-eigening zonder vergoeding van vreemde arbeid het ‘politieke middel’” (p.23-24).

Van Dun hierover in zijn boek in een modern jargon: “Alle sociale interactiepatronen waarin mensen rechtstreeks of onrechtstreeks met elkaar omgaan, kunnen wij analyseren als min of meer zuivere toepassing van de ene dan wel de andere methode of complexe verbindingen van beide”. Van Dun kiest er dus voor de term ‘middel’, als bij Oppenheimer in gebruik, te vervangen door ‘methode’, een term die hier inderdaad passender lijkt. In het verlengde van hetgeen Oppenheimer betoogt, wijst Van Dun er tevens op dat volgens Oppenheimer de staat niets anders is dan een organisatie van de politieke methode. Hiermee is de toon gezet en kan ik overstappen naar de behandeling van Van Duns tekst.

Recht, Markt en Staat

Zoals opgemerkt betreft het een werkboek. Het schets in grote lijnen de lotgevallen van staat en samenleving in Europa sedert de zestiende eeuw tot heden. Daarmee is het historische schema gegeven. Het doel van het werkboek is de bestudering van invloedrijke theorieën van het sociaal contract die betrekking hebben op de bestaansredenen en de rechtmatige vormen van staten. Bovendien gaat het om de bestudering van de theorieën en historische gegevens over de werking van markten onder verschillende politieke en juridische regimes (mercantilisme, economisch liberalisme, corporatisme).

Tussendoor worden allerlei zaken besproken als oorzaken en gevolgen van de opeenvolgende politieke, culturele, industriële en technologische revoluties en crisissen die de laatste twee eeuwen hebben getekend. Waar dat opportuun is geacht wordt een bespreking van ‘juridica’ (de ‘juridische dingen’) toegevoegd.

De ‘juridica’ vormen bij Van Dun ‘het recht’ (met aanhalingstekens). Of dat ‘recht’ ook rechtvaardig is of rechtvaardigheid oplevert, dat is voor hem helemaal de vraag, dat moeten we maar afwachten. Daarom introduceert hij ook het woord recht zonder aanhalingstekens. Dat is recht als tegengesteld aan onrecht. Dat gaat hij uitwerken in de door hem aangehangen natuurrechtelijke opvatting. Ik moet hierop ingaan omdat het een doorslaggevend element vormt van de vooronderstellingen die Van Dun hanteert en die hem tevens tot een aanhanger van het libertarisme maken.

Samenleving en maatschappij

Van Dun gaat ervan uit dat het natuurrecht de natuurlijke orde van samenleven is. Het recht is dus de samenleving, het leven van de mensen zelf, gezien als geordende samenleving. De term samenleving is hier cruciaal, want hij plaatst die tegenover de term maatschappij. Hij vindt ze namelijk fundamenteel verschillend. Zo kan je volgens hem wel zinvol spreken over de ‘natuurlijke orde van het samenleven van mensen’, maar niet over de ‘natuurlijke orde van een maatschappij’.

Dit verklaart hij met op te merken dat het natuurrecht of de natuurlijke orde van samenleven een even universeel menselijk verschijnsel is als het samenleven van mensen zelf. Daarentegen komen maatschappijen ook wel overal voor maar dan als veelvormige creaties van menselijk organisatietalent. In Van Duns opvatting is er maar één menselijke samenleving, maar er zijn vele maatschappijen. Een maatschappij is geen samenlevingsverband, maar een samenwerkingsverband.

Als Van Dun dan een en ander samenvat in termen van fundamentele relaties van orde in samenleving en maatschappij, dan karakteriseert hij de orde in samenleving als een horizontale relatie tussen natuurlijke personen (mensen). Tussen hen wordt de orde in stand gehouden door het gesprek, in vrijheid en gelijkheid. Het geheel wordt beheerst door ius (recht), een verbond gebaseerd op een afspraak.

De maatschappij wordt verbeeld door verticale relaties tussen maatschappelijke posities. De orde blijft in stand op grond van bevelen (de wet), met gezag en in horigheid. Het geheel wordt beheerst door lex (wet; voorschriften).

Voor zover een aanhanger van het natuurrecht zich niet tegen de vorming van maatschappijen verzet, zal hij die toetsen op hun verenigbaarheid met het natuurrecht. Men ziet Van Dun dan ook bij herhaling in zijn boek bepaalde maatschappelijke verschijnselen de natuurrechtelijke maat nemen. Die maat wordt dan mede genomen op grond van de twee methoden die bij Oppenheimer zijn aangetroffen.

Van Dun vertaalt de ‘economische’ methode als volgt. Het is de methode die uitgaat van arbeid en ruil, samenwerking op basis van vrijwilligheid, waarin geen der partijen de andere tot samenwerking dwingt. Aan die voorwaarde is niet voldaan waneer de maffia ‘u een aanbieding doet, die u niet kunt weigeren’ (tenzij u bereid bent afscheid te nemen van uw dierbaren…) (zouden we hier van een ‘wurgcontract’ kunnen spreken…?).

De ‘politieke’ methode is die waarbij iemand zich meester maakt van een ander of diens middelen of zich van zijn arbeid of zijn middelen bedient zonder zijn toestemming daartoe te hebben gekregen. Zij impliceert fysiek geweld of dreigen met lichamelijk geweld tegen een persoon. Waarom noemt Oppenheimer dit de ‘politieke’ methode vraagt Van Dun zich – retorisch – af?

Het antwoord ligt voor de hand: ze is onmiddellijk van toepassing op de typische activiteiten van de overheid tegenover haar onderdanen, zoals onderwerping aan allerlei belastingen. Zij legt eenzijdig van alles op en dwingt dat af zonder toestemming van de betrokkene.

Is Oppenheimers opvatting geloofwaardig? Het is na het voorgaande niet vreemd dat Van Duns antwoord positief luidt. Zo laat Van Dun zien hoe Oppenheimers onderscheid tussen de politieke en economische methode berust op de vooronderstellingen van het natuurrecht. Het hecht zich namelijk aan het onderscheid tussen de ene persoon en de andere en op het onderscheid tussen recht en onrecht. Wie de economische methode gebruikt, respecteert de anderen als anderen. Hij doet hun niets zonder hun toestemming, verlangt geen samenwerking dan op basis van vrijwilligheid.

In de politieke methode is de instemming irrelevant. Roof is dan ook in Oppenheimers opvatting goed als het fundamentele politieke fenomeen te begrijpen. Vandaar ook wijst Van Dun erop dat Oppenheimer met een sociologische definitie van de staat werkt: de staat is een organisatie van de politieke methode, van geld en dwang als methoden voor het verwerven van andermans goed. Die opvatting past aldus Van Dun in een natuurrechtelijke beschouwing waarin de staat een menselijke creatie is.

Vrije markt

Als Van Dun dan over de ‘vrije markt’ komt te spreken, laat hij die eveneens verschijnen als een aspect van de samenleving. De vrije markt is de omgang van mensen die uitsluitend volgens de economische methode leven, zegt Van Dun, waarbij hij nog maar eens naar Oppenheimer verwijst. Spreekt Van Dun over het hedendaagse marktverkeer, dan erkent hij dat er nauwelijks een spoor van de vrije markt is te bekennen. De staat als politieke methode verstoort de verhoudingen voor zover er over ‘vrij’ en ‘markt’ wordt gesproken.

Die staat houdt zich namelijk niet met zijn eigen taak bezig, rechtshandhaving in de natuurrechtelijke zin, maar met ‘doelmatig’ beleid. Dat is de eerste prioriteit van de twintigste-eeuwse staat geworden. En omdat daarbij de ‘politieke’ methode prevaleert, ziet Van Dun het volgende gebeuren.

De privileges en de macht om op kosten van anderen te leven waren in de loop van de vorige eeuw overgegaan van de aristocratie op de vele organisaties die de eigenbelangen van hun leden en aanhangers via politieke acties gingen behartigen. In de loop van de twintigste eeuw herleeft het feodale kluwen van de oude regimes in een nog onoverzichtelijke netwerk van fiscale, sociale en economische wetten, reglementen en instellingen. De politieke methode van handelen wordt de meest legitieme handelwijze, althans voor zover zij via de staat wordt uitgeoefend. De politieke methode van handelen behelst het gebruik van dwang, geweld en bedrog, wrijft Van Dun nog eens in.

Natuurrechtelijke orde van samenleven

Dat dit anders moet, zullen velen met hem eens zijn. De parameters die Van Dun daarvoor aanreikt, zijn te vinden in wat hij de natuurrechtelijke orde van samenleven noemt. Die orde gaat uit van een natuurrechtelijke wereldbeeld dat gebaseerd is op inter-persoonlijke relaties van wederkerigheid en dus van wederzijdse beperking en respect. De nadruk ligt op vrijheid en gelijkheid van een ieder in zijn of haar omgang met de ander onder hantering van de ‘economische’ methode.

Het natuurrechtelijke vrijheidsconcept leert dat de vrijheid van de mens vooraf gaat aan het bestaan van de staat: de soevereiniteit van elk mens over zichzelf is uitgangspunt van de natuurlijke rechten,

Het is overigens een opvatting die ik binnen het kader van het staatsrecht altijd heb uitgedragen, zonder naar het ‘natuurrecht’ te verwijzen. Steeds hield ik de studenten het ‘We The People…’ voor uit de Amerikaanse grondwet: eerst wij, daarna pas de staat, die dus niet soeverein is, juist omdat wij het zijn. Dat het door usurpatie van de macht (hanteren van de ‘politieke’ methode) er anders uitziet, verandert niets aan het principiële uitgangspunt…

Van Dun spreekt hier over het natuurrechtelijk of klassiek liberalisme, ook wel libertarisme genoemd, en over de radicale implicaties ervan. Die vloeien voort uit het feit dat het mensen niet ziet als ‘delen’ maar als zelfstandige eenheden, noch ziet het de samenleving als een ‘geheel’ maar als een orde zonder hiërarchie. Samen met zijn anti-staatgedachte komt dit alles sterk in de buurt van wat ‘anarchisme’ heet, ben ik geneigd te zeggen.

Nu wil het echter dat ik niet uit de voeten kan met het idee van het natuurrecht. Het komt mij te zeer voor als een filosofisch ‘label’ ten behoeve van autoriteitsverwerving voor de ermee gepresenteerde opvatting. Waar ik geen moeite heb met het gepresenteerde, heb ik dat nadrukkelijk wel met het label.

Zoals Van Dun, en niet alleen hij, het hanteert spreekt er een eenduidigheid en een ‘universaliteit’ uit, die het niet heeft. Samenleven is niet universeel omdat het natuurrecht dat leert, maar omdat de mens een sociaal wezen is in de zin, dat hij autarkie niet overleeft. En de manier van samenleven kent niet één vorm maar een onbenoembare veelheid van vormen. Een blik in het boek van de Franse antropoloog Pierre Clastres, met als titel La société contre l’État (1974; herdrukt 2011) volstaat om dat op te merken.

Van Dun weet ook wel dat het natuurrecht in een bepaalde tijd een christelijk vondst is om er de lex divina (goddelijke wet) mee te verwekken. Het levert ‘geopenbaarde richtlijnen’ op na de studie van de menselijke natuur. Eeuwen later brengt men de natuurlijke wet in overeenstemming met ‘rederecht’: de natuurwetten worden begrepen als voorschriften van de rede.

Is mijn verzet tegen het ‘label’ een uitdrukking van de onmogelijkheid om het natuurrechtelijke denken in te passen in het anarchisme? Neen. Ik verwijs hiervoor naar een bijdrage van de libertaire filosoof en jarenlang redactielid van het Franse anarchistische tijdschrift Réfractions, Alain Perrinjaquet.

Voor het themanummer ‘Recht en Anarchie’ van dit tijdschrift (nr. 6, winter 2000), schreef hij een artikel getiteld ‘Idéal libertaire et idée du droit naturel’. Hij wijst erop dat in het anarchisme wel statelijke wetten en statelijk recht wordt verworpen, maar niet ethische normering bijvoorbeeld. ‘Anarchie is geen anomie’ (normloosheid).

Wat de normverwijzing  aangaat. is er een samenloop op te merken met het natuurrecht (droit naturel). Perrinjaquet verwijst daarbij niet alleen naar de Duitse filosoof Fichte, maar geeft aan dat een passende omschrijving al bij Hugo de Groot is te vinden. Van deze neemt hij over dat het idee van het natuurrecht een geheel van voorwaarden voor de mogelijkheid van de sociabiliteit van rationele wezens omvat (niet dus ‘société’ maar ‘sociabilité’, waarmee, naar ik vermoed, het onderscheid wordt uitgedrukt dat ook Van Dun hanteert: samenleving / maatschappij).

Perrinjaquet benadrukt dat het om een concrete omschrijving gaat: de menselijke natuur, gedefinieerd in termen van rede en vrijheid, verwijst naar natuurlijk (mensen van vlees en bloed) en niet naar een buiten ons gelegen en transcendente ‘natuur’.

Een van de conclusies die Perrinjaquet dan trekt luidt: de normen die volgens het klassieke anarchisme, respect moeten opleveren en die de staat overbodig maken, zijn voor alles natuurrechtelijke normen. Ik wil dat aannemen, maar het probleem dat ik ermee heb is de wereld nog niet uit. Laat mij dat verduidelijken.

Van Dun legt uit dat de leer van de natuurrechtelijk rechten (zoals de idee van het ‘rederecht’ bij Hugo de Groot) uiteindelijk in de zeventiende en achttiende eeuw leidt tot de opkomst van het natuurrechtelijke of klassieke liberalisme. Hiervan zijn de Engelse filosoof John Locke (1632-1704) en de Engelse econoom Adam Smith (1723-1790) gezaghebbende grondleggers. Welke ideeën (filosofische en economische) zijn nu met deze twee denkers (Locke / Smith) binnen gehaald? Zijn dat wellicht ideeën over ‘private eigendom’, ‘vrije markt’, ‘concurrentie’, ‘winst’, ‘beperkte staat’? Zijn zulke termen eenduidig? Is de ene ‘vrije markt’ de andere? Van Dun verdedigt de vrije markt die beheerst wordt door de ‘economische’ methode. En zoals hij die schetst zit daar geen destructief karakter aan. Maar de Ruttes, de Bolkesteinen en noem ze maar op, ook fervente verdedigers van de ‘vrije markt’, die zijn niet vies van de ‘politieke’ methode (niemand overigens die zich van het parlementarisme bedient…). Welaan, we maken mee wat dat aan misère oplevert.

Van Van Dun begrijp ik dat er zelfs binnen de klassiek liberale kring voor een verschillende uitwerking van de natuurrechtelijk rechtsorde een beroep op Locke kan worden gedaan (er is dus kennelijk interpretatieruimte). Want wat blijkt, er is ook een radicale stroming binnen het klassieke liberalisme die tot het uiterste wil gaan: ontmantelen van de geweldsmacht van de staat (waar anderen in het lockeaanse politieke programma ‘een staat in dienst van het recht’ aan nemen).

Een van die radicalen is de econoom Gustave de Molinari (1819-1912). Zijn tekst, in het Engels vertaald, The Production of Security (1848), behoor tot de eerste in de geschiedenis over wat nu ‘anarcho-kapitalisme’ of ‘vrije-markt anarchisme’ wordt genoemd, ontleen ik uit onverdachte bron, te weten het voorwoord bij de tekst van Molinari van de Amerikaanse libertarier Rothbard.

Het is Rothbard die in de twintigste eeuw dit denkbeeld van Molinari verder uitwerkt in termen van een vrije markt voor beschermingsdiensten…Kennelijk valt er in de veiligheidssector wat te verdienen. In ieder geval is er inmiddels een miljardenomzet  van camerabeveiliging tot fabricage van drones (onbemande vliegtuigjes). Dit alles wordt mede gestimuleerd door een contrasubversieve criminologie. De ‘logica’ van het kapitaal aan het werk…

Wat zal de rol van de overheid zijn in een marktsamenleving? Adam Smith, zo lees ik bij Van Dun, weet daar wel wat op. De overheid wordt toegestaan bepaalde publieke werken en instellingen op touw te zetten en te onderhouden, die geen individu of geen kleine groep van individuen  op winstgevende wijze kan opzetten of onderhouden, ook al zijn de voordelen voor de maatschappij als geheel de kosten zeker waard.

Op winstgevende wijze? Waar komt die winst vandaan? Spreken we hier niet over het ‘buitenkansje’ waarover de klassieke anarchist Proudhon zich druk maakt en waarbij de arbeider door zijn patroon wordt beroofd van een deel van de opbrengsten van zijn arbeid (het ‘surplus’)? Is dat niet de uitkomst van het zero-sum game dat binnen het kapitalisme wordt gespeeld (de winst van de een, is het verlies van de ander)?

Levert dat niet de uitbuiting van mensen op – met zijn verpauperingseffecten – waarvoor zelfs een andere radicale klassieke econoom, Frédéric Bastiat (1801-1850), zijn ogen niet wil sluiten, hoewel ook hij in de vrije concurrentie de eerste natuurwet ziet? Hij verlangt dringend een onderzoek naar de ‘geschiedenis van de uitbuiting’ (zo lees ik in het Histoire des doctrines économiques, van Gide / Rist, in de Duitse vertaling onder redactie van Oppenheimer; p. 357).

Als de natuurrechtelijke orde een gelding heeft zoals Van Dun ze presenteert, dan geldt die ook binnen een bedrijf dat met loonarbeiders werkt. In zo’n bedrijf bestaat, gelet op de omschrijving van ‘orde’ in natuurrechtelijke zin, geen hiërarchie en er wordt niet met bevelen gewerkt. Dominantie is ingewisseld voor verantwoordelijkheid; in plaats van hiërarchische dwang regeert bij de loonarbeiders de morele verplichting voortvloeiend uit het gesloten contract. Een ieder is aan elkaar gelijk en er wordt in netwerken samengewerkt, in dat bedrijf.

Dat een dergelijke bedrijfsvoering werkt en bestaansgrond heeft, blijkt uit het boek van Michel Hervé (ondernemer) en Thibaud Brière (filosoof), getiteld Le pouvoir au-delà du pouvoir (Paris, 2012).

Deze bedrijfsvoering lijkt me meer in overeenstemming met natuurrechtelijke uitgangspunten dan een bedrijfsvoering op basis van een contractuele onderwerping aan de willekeurige macht van de chef, die vereist dat loonarbeiders leven als ‘instrumenten’, als ‘dingen’ in zijn handen. Het enkele bestaan van een contract (wat een ‘wurgcontract’ ook is) zal toch niet een voldoende voorwaarde zijn voor het aannemen dat aan de uitgangspunten van het natuurrecht is voldaan?

Dat is anders als het natuurrecht mede omvat het ‘recht van de sterkste’ en dat de mens toch de mens een wolf is. Indien zo dan betekent dit dat het natuurrecht ook in een hobbesiaanse, een sociaaldarwinistische invulling voorziet – als het uitkomt. Heb ik Van Dun goed begrepen, dan wijst hij dat af. Als dat correct is, blijken ook op dat punt libertarisme en libertairisme dichter bij elkaar te staan dan ik had gedacht.

Thom Holterman

Aantekening

Voor meer informatie over Franz Oppenheimer, zie de Duitse wikipedia: http://de.wikipedia.org/wiki/Franz_Oppenheimer . In de sfeer van de libertariers is een leesbaar artikel over Oppenheimer te vinden (van 5 januari 2004) van Gilbert de Bruycker; zie: http://www.libertarian.nl/wp/2004/01/franz-oppenheimer/ . Wat de libertarier Rothbard over hem schrijft, vindt men op de site: http://mises.org/resources/4970 . De genoemde tekst van Molinari is te raadplegen op Internet; zie: http://mises.org/daily/2088#1 . Daar treft men ook een voorwoord van Rothbard bij aan.

Het boek De staat van Oppenheimer is, naast enkele andere publicaties van hem in het Nederlands vertaald en is van Internet te downloaden; zie: http://franz-oppenheimer.de/ .

Het werkboek Recht, Markt en Staat is in de loop van vele jaren ontstaan in de periode 1987-2005, binnen de groep die het onderwijsblok ‘Metajuridica’ verzorgde aan de Universiteit maastricht. Het stond onder de radactie van Frank van Dun en groeide uit tot zijn huidige omvang, 520 pagina’s. Naast Van Dun werkten aan het werkboek ondermeer mee Huub Spoormans, Alex Jettinghof. Louis Berkvens, Geert Woltjers.

3 reacties leave one →
  1. Bert van den Bosch. permalink
    12/02/2012 23:19

    In de laatste zin van de tweede alinea onder de foto van “Geschichte die volkswirtschaftlichen Lehrmeinungen” staat: “Iedereen is aan elkaar gelijk…..”.
    Iedereen is niet gelijk, net zo min hart, longen, darmen niet gelijk zijn,
    maar wel elk onmisbaar voor het functioneren van ons lichaam(het netwerk).
    Hier zou naar mijn inzicht de uitdrukking gebezigd moeten worden, dat iedereen van (gelijke) waarde is voor de netwerken waarin wordt samengewerkt.
    Kortom samenwerken gaat niet zonder elkaars unieke zijn.

    Het konvooi vaart niet sneller dan het langzaamste schip.
    In het sociale leven wordt hier in het samen werking meestal geen rekening gehouden.
    Dit principe houdt in dat er een andere vorm van “leiderschap” ontwikkeld zou moeten worden.
    Een letterlijke omkering van het oude leiderschapsprincipe.
    Niet de baas die leidt, dicteert en macht uitoefend,
    maar dienend, ondersteunend en helpend.
    Baas in de zin van meer kennis, meer vaardigheden.
    Zoals je in een buurt Doe het Zelf werkplaats ziet, waar
    minder begaafde hobbyisten prachtige dingen maken met behulp van
    meer getalenteerde deelnemers.
    Gezag wordt hier met dankbaarheid en respect bejegend.

    Met vriendelijke groet,

    Bert.

  2. 29/02/2012 02:13

    I like what you guys are up also. Such intelligent work and reporting! Keep up the superb works guys I’ve incorporated you guys to my blogroll. I think it will improve the value of my website🙂.

  3. Bruce Graeme permalink
    13/12/2013 10:40

    THEODOR HERTZKA’S CONCEPT OF LAND REFORM

    Many reformers have clearly argued for the equal right of all to the use of the earth. Disagreements exist only concerning the methods to realize it. ­Most concrete proposals offer only partial solutions and are based on coercion and expropriation. As far as I know, Hertzka’s proposal is the only literal application of the equal right to the use of the earth which would not infringe any human rights or grant additional power or money to any administrative body.

    “Hertzka combines in a unique way the demand for an abolition of private landholding with a complete economic liberalism. He wants to keep the productive associations which are to be the pillars of economic activities completely open, permitting everybody to join any of them any time. Thereby work for wages as well as exploitation becomes impossible. Even the differences in rent due to fertility and position of agricultural land would vanish in Hertzka’s system. Associations working an especially good soil would be joined by many and would therefore have to share their earnings among a greater number of cooperators than the less favoured associations.” – Translation from the article “Bodenreform” in “Woerterbuch der Volkswirtschaft”, edited by Prof. Elster, Fischer, Jena, 1898.

    Hertzka wanted all exclusive possession of agricultural lands abolished, even temporary ownership by the highest bidder. Only thus would the right of all to the use of the Earth be realized. Every other system would at least temporarily exclude some, a few immediately and many, because of the increasing population, in the future. All other proposals would only minimize but never abolish the evil.

    His reform would mean in practice that if any site of land would be claimed by one person only then he could use it alone for the time being. If later on another and finally several claimed it, then they would have to share the same land with the original user, not by subdividing it into smaller and finally uneconomic parcels but by cooperating in the cultivation of the total. The profits would have to be distributed among them according to the work and capital each has invested. If none of the participants would get more than the benefits due to his added labour and capital then the original user and later comers would not be wronged. All would profit from the more intense use of the land and a further division of labour.

    If the optimum or limits in this respect were reached then nobody would join any more. H. foresaw that in some cases working time and income would thus be reduced, at least temporarily.

    To obtain the influx of new labourers and capital desirable to “socialize” monopoly profits and to repel an excess of labour and or capital, there should be full publicity and no secrecy whatever concerning the economic activities of these associations.

    Thus a relatively small but almost continuous movement of capital and labour would prevent those exploiting a natural monopoly like land from earning much more or much less than the normal price they would obtain for their labour and capital on a free market.

    To prevent chicanery against new members and temporary monopoly pricing, these enterprises should be “open” in still another way: Everybody interested should be free to join in and to have a vote in their general meetings.

    This could not be harmful itself or seriously abused for the exploitation of the working members because, if an injustice were obviously done to them, they could either call in another, still larger general meeting pleading their rights in it or they could give notice and join other associations where they could earn a normal reward for their efforts. Thus they could avoid their exploitation by a temporary majority.

    Some productive associations would, due to the position and great fertility of the land they use, obtain an extra large profit even if they demanded only the market price for their products. To demand much less would lead to rationing with all its evils. In these cases the above described system on its own would lead to an extra large influx of labour and capital, reducing working time and earnings of the members perhaps too much. (The short working time may act as an additional attraction to some.) If the members wanted to avoid this, then they would have to oblige themselves, for some time in advance, to dedicate their excess profits to some charitable or common weal institution. Thus they could ensure that their jobs and investments would not become too popular and they would still get the normal return for their labour and capital which the market allows.

    I would prefer this more or less voluntary offering of unearned site rent for welfare purposes, which the members themselves approve of or determine, to an forced site rent collection by some government body, for some government purposes which are more or less in disagreement with the opinions and liking of those from whom it was collected. Under this system it would not be unlikely that such special monopoly earnings would be voluntarily invested in other enterprises which would help to break this monopoly.

    We have here something like a compromise between Henry George’s and Theodor Hertzka’s ideas which seems acceptable to me.

    H. wanted to apply this continuous socialization scheme based on individual freedom and initiative not only to agricultural land but to mineral resources and positional monopolies like electricity plants and railways, too. His demand to extend the principle of openness to all enterprises was closely tied up with his proposal of a central bank and clearing house supplying all capital at cost and need therefore not be dealt with here.

    I believe that full employment brought about by freedom for the issue of private money without legal tender quality, would make every worker welcome in every enterprise anyhow.

    H. did not propose to confiscate any land presently held. He wanted to introduce and demonstrate his system in a so far unsettled country in inner Africa. An attempt of over enthusiastic followers failed because of lack of funds. They thought that a new start would have to be made in a so far unsettled land because they assumed that the rent around successful enterprises based upon this system would increase and thus prevent the spread and general application of this reform. Franz Oppenheimer discovered the error in this assumption.

    I believe that H.’s plan could be realized anywhere, starting with small scale experiments. In many countries land for such experiments can be freely bought. When there are no currency restrictions and manipulations, it could be bought on long terms, using bonds as means of payment. From such small beginnings, demonstrating the rightfulness and efficiency of this system, it could gradually spread over the whole country, first by purchases only and later on by gifts. (Vinoba Bhave has so far received over 7 million acres of land for re­distribution to India’s landless peasants.) I think it would survive the free competition by all other tolerant land reform experiments.

    The alternative to purchases, force, to realize the right to the use of the earth immediately, generally, against the prejudices of the majority, would most likely lead to failure but at least to much unnecessary and unjustified bloodshed.

    Hertzka’s reform depends, though, on the successful realization of other reforms, e.g. the prevention of depressions and inflations and the abolition of closed national markets. It cannot be realized immediately, either, in a country which is in the throes of a civil or national war. But even in such situations its sincere propagation would help to bring about peace, provided it is proposed. only for volunteers and for purchased land. Its tolerance towards other reform attempts would, particularly in revolutionary times, be among its major attractions. Indirectly, it would more or less force other movements to accept tolerant programs, too and thus it would help to bring about the panarchic peace.

    Let me sum up Hertzka’s main idea: The right of free movement, settlement and work anywhere should be extended. He suggested freedom of movement into monopoly enterprises combined with a right to work in them. The “open” associations thus established were to have at any time free access to all natural resources, particularly land and minerals. The free access and open membership clauses were to eliminate without touching property rights based on labour and investments the evils of exclusive or monopoly possession of natural resources, which must be expected even from cooperative societies when they are “closed”.

    Some of Hertzka’s relevant books are: Die Gesetze der sozialen Entwicklung, Leipzig, Duncker & Humblot, 1886, Freiland, Dresden u. Leipzig, Piersons’s, 4. Auflage, 1890, Eine Reise nach Freiland, Leipzig, Reclam, 1893, Das soziale Problem, Berlin, Reimer, 1912.

    FRANZ OPPENHEIMER’S SETTLEMENT PLAN

    Oppenheimer shared most of Hertzka’s land reform ideas but did not think it necessary to make a new start with a community set up in the wilderness. 0. realized that land rent around an area where H.’s ideas are successfully carried out would not rise but rather decrease. To the extent that the “open” association would be joined by farmhands of the district, desiring to work harder but for a correspondingly increased income, other enterprises in this area would be deprived of their labourers. The wages of farmhands would thus go up and rent would be lowered accordingly. Furthermore, when the cooperative association proves to be more efficient and successful in free competition, because it makes full use of the profit motive of all participants, not only that of the owners, then the rent for “closed” land in this district will be further reduced. Thus land could be purchased cheaper and cheaper for the extension of the first association or the setting up of new ones. Gradually the purchase price for land not improvements would be reduced to naught. In the end many would join such a cooperative, offering their land title as a gift, or would “open” their land merely to obtain the labour necessary to make full use of their investments or to get the full cooperation of their remaining labourers. Only a few very able or small scale farmers and people cultivating land cooperatively, because they belong all to one family, would be able to stand the competition of the above free associations. The very able farmers would soon find out, though, that they would still be much better off and would be very welcome as managers or directors of cooperatives.

    This new freedom of movement would soon lead to still another increase of productivity – by ensuring that each association and the land it cultivates would in a free and natural way approach and stay close to its optimal size.

    Why was this reform program not yet realized anywhere? Apart from the difficulties to make any reform idea sufficiently known, even to a minority, this particular reform requires for its certain success the accomplishment of other reforms.

    Long-term credit can only be obtained easily and cheaply when there is no danger of inflation (caused by legal tender quality and monopoly of state paper currency).

    Internal and external sales of agricultural products will only be free and easy to achieve when there are no artificial currency famines any more and no national trade barriers. (Large scale unemployment would flood the first such enterprises with too many and often very unsuitable labourers. Tariffs and other restrictions of international trade would lead to unsold surpluses and bankruptcies.)

    The possibility of purchasing large enterprises not with cash but obligations gradually redeemed out of the proceeds of future production is not yet sufficiently known.

    The human element is important, too. The mentality to be either master or slave has been ingrained for thousand years and is still prevailing. Therefore, the frictions associated with every teamwork will, in the beginning, allow a successful cooperation in this field only among a few selected people. But there are practically no limits to the spread of this system in peaceful and tolerant competition with others once it is successfully demonstrated anywhere. In 1930, that is in the middle of the world depression, when not free production and the right to the use of the earth but the sale of the products was the problem, 0. had finally succeeded to establish a model settlement. But under these conditions it could not grow. Three years later the Nazis came to power and they did naturally not tolerate any social experiments. Even 0.’s books were prohibited and public libraries had to burn them. 0. managed to escape but died, in 1943, before another attempt could be made.

    Oppenheimer published a pamphlet. “Freiland in Deutschland” in 1894. His memoirs, first published in 1931, have recently been re published: “Erlebtes, Erstrebtes, Erreichtes. Lebenserinnerungen”, Joseph Melzer Verlag, Duesseldorf, Germany, DM 24980 obtainable from Erlesenes Redaktion, K. H. Zube, 6283 Freilassing, Georg Wrede Str. 7, Germany.

    http://lib.convdocs.org/docs/index-231503.html

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: