Skip to content

Seksueel Misbruik In De Kerk

12/04/2012

[In de AS nr. 177-178 te vinden als rubriek STERKE VERHALEN 10]

Toen ik ergens in de jaren ’50 van de vorige eeuw mijn Eerste Heilige Communie deed in de Sint Willibrorduskerk van Oegstgeest, hing er over de gehele breedte van de balustrade die het koor van de kerk – dat was het aan de priesters en hun misdienaars voorbehouden domein – afsloot, een smetteloos wit kleed met daarin kunstig verweven letters die samen de tekst Laat de kleinen tot Mij komen vormden. Ik kon nog maar net lezen, dus ik heb die letters een voor een gespeld, maar ik kon toen niet bevroeden dat het de pastoors en kapelaans, de paters, de bisschoppen en de kardinalen waren die mij en mijn leeftijdgenoten tot hen wilden laten komen en dat alleen al in Nederland een paar duizend van allen die zich als plaatsvervanger van Hem op aarde beschouwden in de tijd die erop volgde en de jaren nadien deze oproep frequent in hun hoogstpersoonlijke orgastische beleving zouden omzetten.

Ik heb door puur geluk persoonlijk nooit last gehad van onwelgevallige toenadering door priesters, of was het omdat mijn vader in die jaren een bekend psycholoog was, auteur van een veel herdrukt en van officiële bisschoppelijke toestemming (‘Imprimatur’) voorzien opvoedingsboek voor katholieke gezinnen?

Een klein deel van mijn middelbare schooltijd heb ik doorgebracht op een katholiek gymnasium in het zuiden van het land en de paters van dat internaat zijn tot op heden niet in de verdachtenbankjes gezet, dus er is waarschijnlijk ook niets aan de hand geweest, maar dat de grens tussen normaal lichamelijk contact met de mensen aan wier zorgen je was toevertrouwd en misbruik flinterdun was, heb ik in die jaren maar al te goed beseft.

Zo vond ik het altijd al vreemd, dat er na het doven van de lichten op de slaapzaal nog geruime tijd jongens vertoefden op de aangrenzende kamer van de dienstdoende surveillant. Ik lag vrij dicht bij die kamer en vond het vervelend dat er zo lang licht bleef branden. Het gordijn voor het raam in de deur sloot niet goed en zo was het lastiger om snel in slaap te komen. Toen ik erachter was gekomen, dat het in die kamer om knapen ging die spierpijn hadden of andere kwalen, en zo ook wat langer mochten opblijven, simuleerde ik eens ook pijn in mijn knie. En jawel, nadat een vriendje van me voldaan zijn borst met ‘Dampo’ had laten inwrijven door de pater, wat ik vooral een merkwaardige vertoning vond omdat de behandeling nogal krachtig werd uitgevoerd, werd ook mijn knie na een warmtebehandeling onder een rode lamp zorgvuldig met een weldadige zalf ingesmeerd.

Naar mijn indruk destijds was het pure aardigheid van de betreffende pater, die ook geen moment zijn handen plaatste waar het niet hoorde, maar kort nadien hoorde ik toch verhalen van jongens die wél op vreemde sensaties leken te duiden. Het kon roddel zijn of fantasie, je wist het nooit met die verhalen, maar ik weet wel dat ik dat kamertje van toen af aan gemeden heb als de pest. Dat was niet moeilijk, want het waren toch meestal de slijmballen en lievelingetjes van de paters die er kwamen en daar wilde ik toch al zo min mogelijk mee te maken hebben.

Misbruik in de praktijk

In het boek Rolduc. De laatste dagen van een Kleinseminarie besteedt de schrijver, Twan Geurts, behalve aan vele andere zaken van belang op zo’n internaat voor priesters in spe ook aandacht aan gevallen van seksueel misbruik door een of enkele van de paters. Sommige van de praktijken die hem ter ore zijn gekomen door recente interviews met zijn toenmalige schoolgenoten zijn ronduit verbijsterend. Daarbij gaat het niet zozeer om het vooral door de Volkskrant benadrukte wangedrag van de latere star conservatieve bisschop Gijsen, die in de jaren ’60 aan Rolduc verbonden was, maar om bijvoorbeeld het jarenlange vrijwel dagelijkse misbruik van één leerling.

Misbruik dat veel verder ging dan de beschrijvingen die je meestal hoort – een pater aftrekken tot hij klaar kwam of de nog ernstiger gradatie pijpen – want hier ging het om het ‘van achteren nemen’ van de jongen door de pater, in de besloten ruimte van diens eigen kamer.

Al even walgelijk was het, dat collega’s van die pater drommels goed wisten, zoals Geurts nauwgezet beschrijft, dat hij zich aan dergelijke praktijken te buiten ging, maar er hoegenaamd niets tegen ondernamen. Dat laatste kun je je na lezing van het hele, voortreffelijk geschreven en goed gedocumenteerde, boek wel enigszins voorstellen, gezien de volslagen geïsoleerde en bewust gesloten bedoelde samenleving daar in dat Limburgse buitengebied, al blijft het een gotspe dat zoiets mogelijk is geweest.

Na langdurige ontkenning, tot in de belachelijke toonaard van ‘Wir haben es nicht gewußt’ door de voormalige kardinaal Simonis, hoogste baas van de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland van 1983 – 2007, is dan op 16 december vorig jaar het lang verwachte rapport van de commissie Deetman gepresenteerd, waarmee de Nederlandse rooms-katholieke autoriteiten hoopten het eigen straatje eindelijk te kunnen schoonvegen. De commissie baseerde zijn bevindingen op rond de achttienhonderd meldingen, gesprekken met groepen slachtoffers en een enquête onder ruim achthonderd respondenten. Ook heeft de commissie met enkele daders gesproken, om hun kant van het verhaal te horen, en in archieven van kerkelijke instellingen gespit. Dat laatste bleek een moeizaam verhaal, want het merendeel van de gezochte dossiers bleek onverklaarbaar verdwenen of bewust vernietigd. Desalniettemin kon gedocumenteerd worden, dat in talrijke gevallen, ook als aangifte bij Justitie gedaan was, kerkelijke en justitiële autoriteiten in eendrachtige samenwerking hadden besloten niet tot vervolging over te gaan noch ook maar de slachtoffers anderszins genoegdoening te bieden.

Subtiele inforegie

Uiteindelijk concludeert de commissie dat het in de jaren van 1945-1981 om zo’n tien- tot twintigduizend slachtoffers van misbruik moet zijn gegaan. Zo hebben vrijwel alle media het althans gemeld. In werkelijkheid staat in het rapport een veel hoger aantal, namelijk: ‘enige tienduizenden. Hiervan mag worden aangenomen dat enkele duizenden ernstige misbruikervaringen hebben opge­daan.’ (Pag. 10 van de officiële samenvatting van het rapport). Bij de vaststelling van deze aantallen (de commissie spreekt van ‘een wetenschappelijk onderbouwde schatting’) is onder andere gebruik gemaakt van een surveyonderzoek door TNS NIPO onder ruim 34.000 Nederlanders van veertig jaar en ouder.

Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat één op de tien Nederlanders voor hun achttiende jaar tegen zijn of haar zin seksueel is benaderd door een meerderjarig niet-familielid. Bovendien kwam uit ander onderzoek de conclusie dat het risico op misbruik in instellingen als internaten, seminaries, kindertehuizen twee keer zo hoog lag als het landelijk gemiddelde.

Hoewel het verschil tussen ‘tien- tot twintigduizend’ slachtoffers en ‘enige tienduizenden’ triviaal lijkt, past het beeld van deze door de perspresentatie van het rapport subtiel geregisseerde informatieverstrekking in de desondanks nadien van diverse zijden opgekomen veronderstelling, dat de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland opnieuw niet ruimhartig schoon schip heeft gemaakt met dit rapport. Dat was trouwens al vóór de presentatie van het onderzoek aan de orde, vooral omdat het in feite een onderzoek in eigen huis, want in opdracht van de Rooms-Katholieke Kerk zelf, betreft. Stel dat voor ‘enige tienduizenden’ mag worden gelezen 50.000 slachtoffers van misbruik. Van 1945-1981 is 36 jaar, maakt per jaar gemiddeld 1388 slachtoffers, ofwel bijna vier per dag. Dan gaat het – let wel – steeds om andere kinderen, en het gaat ook niet over het aantal keren dat deze misbruikt werden. Dat aantal moet nog veel hoger liggen.

In dezelfde orde van manipulatie van informatieverstrekking ligt de claim in het rapport-Deetman, dat op grond van de door de commissie ontvangen meldingen berekend is, dat ‘in totaal ongeveer 800 namen van plegers te herleiden (zijn) tot personen die werkzaam zijn of waren in bisdommen, ordes en congregaties.’ Op grond hiervan is er in diverse media op gewezen, dat het dus maar om enkele procenten gaat van de in de Kerk werkzame priesters en nonnen.

Ook allerlei mensen die zich nadien over het misbruik hebben uitgelaten, bijvoorbeeld Beatrijs Ritsema in NRC Handelsblad van 31 januari 2012, hebben dat getal overgenomen, waarbij de laatstgenoemde er op wijst dat het slechts gaat om ‘iets meer dan 2 procent van de prelaten’. Wie het rapport ter hand neemt ziet echter meteen, dat dit een volstrekt willekeurig aantal is, want het is gebaseerd op de meldingen bij de commissie. Iedereen weet, dat slechts een fractie van de bezwaarden zich gemeld heeft bij de commissie. Ten dele omdat eenvoudig lang niet alle slachtoffers nog in leven zijn, maar in nog aanzienlijker mate omdat velen niet hebben willen reageren, uit schaamte of omdat het vertrouwen in zo’n onderzoek in eigen kerk nihil of gering was.

Factor: het celibaat

Zeker zo subtiel is de door de commissie Deetman gestuurde conclusie, dat ‘het celibaat niet dé verklarende factor kan zijn voor de mate waarin seksueel misbruik binnen de rooms-katholieke kerk voorkomt.’ Hiervoor bestaat, zo beweert de commissie, ‘geen wetenschappelijke onderbouwing.’ Ja, dat haalt je de koekoek. Zolang het niet wetenschappelijk onderzocht is, zal het ook niet wetenschappelijk onderbouwd kunnen worden. Maar dat wil nog niet zeggen dat je vervolgens kunt concluderen dat het celibaat niet de verklarende factor voor het misbruik kan zijn! En toch is dit precies de stelling die allerwege in de media weerklonk. Nog los van dat geraffineerde accentje op de letter e van het woordje de vóór factor. Véél te genuanceerd om uit te leggen aan de gemiddelde kranten/internet-lezer! Wreekt zich hier, dat de serieuze onderzoeksjournalistiek ook in Nederland intussen zorgwekkend verschraald is? Hoe dit ook zij, voor argumenten, waarom het celibaat wel beschouwd mag worden als belangrijke oorzaak van het misbruik binnen de Rooms-Katholieke Kerk leze men mijn artikel Het Vaticaan versus de vrouw in de AS 172 (De ellende van de religie). Het mag dan ook hoogst onwaarschijnlijk heten, dat het seksueel misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk vanaf nu alleen nog tot het verleden zal behoren.

Ook over hoe het nu verder moet zijn slechts sombere verwachtingen te schetsen. Kort voor het ter perse gaan van deze editie van de AS besteedde de Tweede Kamer een debat aan de kwestie. Waar je toch minstens zou mogen verwachten dat de officieren van justitie en rechters (?) die samenspanden voor de verdoezeling – en daarmee voor de jarenlange instandhouding – van de schennispraktijken der priesters, ter verantwoording zouden worden geroepen, was het enige waar de in andere zaken zo graag ferm acterende minister Opstelten zich toe geroepen voelde, het verzoek aan de Rooms-Katholieke Kerk én aan de commissie Deetman om het onderzoek uit te breiden tot vrouwen en meisjes in jeugdinternaten en dergelijke instellingen, aangezien dit punt in het rapport-Deetman onderbelicht blijft omdat zich relatief weinig vrouwen bij de commissie hadden gemeld.

Het verzoek van de oppositie om de rol van het Openbaar Ministerie nader te onderzoeken en het vervolgonderzoek naar het misbruik van meisjes door de overheid te laten uitvoeren, werd niet ondersteund door VVD, PVV en het CDA. De suggestie van SP-Kamerlid Sharon Gesthuizen, dat de CDA-achterban het verder in een kwaad daglicht stellen van de Rooms-Katholieke Kerk wilde voorkomen werd haar niet in dank afgenomen. Toch lijkt die suggestie allesbehalve ondergebracht te kunnen worden in de categorie Sterke Verhalen.

Boudewijn Chorus

No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: